Sportaccommodaties
Met meer dan 100 jaar ervaring richten we sportaccommodaties in. We delen graag onze kennis en geven je de beste tips voor jouw sportaccommodatie.
Artikelen
Inspectie en onderhoud van springkasten
De levensduur van je springkast wordt beïnvloed door meerdere factoren waar de normlijsten geen rekening mee houden. De normlijst gaat uit van het gemiddelde, maar jouw accommodatie kan daarvan afwijken. Springkasten worden vooral gebruikt door gymverenigingen en scholen. Hier worden groepen steeds groter en de situaties waarin de springkast wordt ingezet veranderen. De gebruiksfrequentie en gebruiksintensiteit neemt hierdoor toe. Hoe is dat bij jouw accommodatie? Het is belangrijk om hier inzicht in te krijgen. Dit heeft invloed op de levensduur van je springkast.
Meer dan een kast om over te springen
Naast een object om overheen te springen, wordt de kast ook ingezet in hindernisbanen, conditie circuits en als attribuut om banken aan te hangen. En een omgekeerde kastkop wordt gebruikt als opbergplek voor ballen. Een springkast wordt dus breed ingezet. Al deze gebruikstoepassingen kunnen naast een grote druk op de levensduur, ook tot hogere onderhoudskosten leiden.
Voorkomen van onderhoudskosten
- Het is belangrijk dat de wieltjes schoon zijn en worden gehouden. We zien vaak dat wieltjes niet meer goed werken door haren en overtallig stof. Hier kun je jezelf goed tegen verzetten door deze te controleren op vuil.
- Wanneer de springkast in de berging wordt geplaatst, moet deze altijd van het verrol af worden gehaald. Dit voorkomt constante leuning van de kast op het verrol.
- Het leerdek van de kast kan worden aangetast door het gebruik. Om beschadiging tegen te gaan zou het leerdek 1 á 2 keer per jaar moeten worden ingesmeerd met ledervet.
- Door slim te ontwerpen, beperken we de onderhoudskosten tot een minimum. De springkast van Nijha is voorzien van een ‘verende verrol’. Als kinderen tijdens het verplaatsen op de kast gaan zitten, dan zakt de kast op de grond. Zo voorkomen we overbelasting van de verrol en het onderste kastdeel. Daardoor heb je minder onderhoudskosten.
- De hoeken van onze springkasten zijn versterkt en voorzien van een beuken vormdeel. Dit voorkomt beschadiging van de hoekconstructie. Bovendien draagt het eraan bij dat de kast langer stabiel en onderhoudsvrij blijft.
Tips inspectie en onderhoud van matten
Matten worden intensief gebruikt in het bewegingsonderwijs, maar bijvoorbeeld ook door turnverenigingen. Wat zijn de afschrijftermijnen van die matten? Welk soort mat gaat het langst mee? En waarom mag je afgekeurde matten niet als reserve of voor éxtra veiligheid gebruiken?
Wat is de afschrijftermijn voor matten?
De basisinventarislijst van de KVLO geeft aan wat de gemiddelde afschrijftermijn is voor sportmateriaal: bijvoorbeeld 8 jaar. In de praktijk kan het zijn dat een mat al na 6 jaar wordt afgekeurd, ofwel is afgeschreven. Dat komt omdat het werkelijke gebruik altijd belangrijker is, dan het landelijke gemiddelde. Jouw matten worden intensiever gebruikt als naast basisonderwijs, ook voortgezet onderwijs er gebruik van maakt. Een turnvereniging gebruikt de matten intensiever dan een badmintonvereniging. Al deze factoren spelen mee om een goed beeld te krijgen van de juiste afschrijftermijn van de matten in jouw specifieke accommodatie.
Hoe maak ik een goede begroting voor het afschrijven van mijn matten?
Het goed inschatten van de afschrijftermijnen is belangrijk om tot een realistische exploitatiebegroting te komen. Als jouw matten door intensief gebruik geen 8 jaar, maar 6 jaar meegaan: dan heb je een gat in de begroting. Ons advies is om een meerjarenbegroting te maken voor de volledige inventaris van jouw accommodatie – gebaseerd op het daadwerkelijke gebruik in de praktijk. En als het gebruik van jouw accommodatie wijzigt omdat er andere verenigingen actief zijn, of nieuwe sporten (zoals freerunning) worden aangeboden: pas dan ook de afschrijftermijnen aan.
De ene mat is de andere niet
Een afschrijftermijn staat niet op zich. Het heeft een directe relatie met de kwaliteit van een product. Een kwalitatief goede mat, met juiste vulling en hoes, gaat langer mee dan een goedkoper alternatief. Het is dus belangrijk om bij de aanschaf al een goed beeld te hebben van het gebruik en daar de kwaliteit van sportinventaris op af te stemmen. Twee tips:
- Een goedkopere vulling op polyether basis is losser van samenstelling en geeft minder demping is dan bij een (duurdere) compacte vulling. Bij veelvuldig landen op dezelfde plek wordt de vulling zo dun wordt dat de mat tijdens de zaalinspectie sneller afgekeurd wordt.
- De wijze van opbergen heeft invloed op de levensduur. Het beste is de matten horizontaal op te bergen. Bij verticale berging (staand op een mattenwagen of hangend aan klittenband aan de muur) drukt de zwaartekracht op de lijmverbindingen van de polyether delen. Gevolg is dat de vulling ‘uitzakt’ en aan functionaliteit verliest.
Focus op investering of exploitatie
Zeker bij nieuwbouw of renovaties van sportaccommodaties worden nog wel eens een concessie gedaan aan de kwaliteit van de inventaris, omdat anders het beschikbare investeringsbudget overschreden wordt. Daarbij vergeten eigenaren vaak dat een goedkoper product wel binnen de investering past - maar korter meegaat. Een goedkopere mat, moet je eerder afschrijven. Ervaring leert dat dit extra druk geeft op de exploitatiebegroting en leidt tot ontevreden gebruikers. Vooraf meer investeren, betaalt zich later terug.
Gedifferentieerde huurbedragen?
Gebruik van sportinventaris door turnverenigingen draagt bij aan een versnelde afschrijving. Vraag is of turnverenigingen dan ook een andere huurprijs zouden moeten betalen voor een sportaccommodatie dan bijvoorbeeld een badmintonvereniging. Door een extra bijdrage in de huurprijs te verwerken voor versnelde afschrijving, blijft je in staat om beide verenigingen binnen te houden.
Mag ik afgekeurde matten gebruiken als extra zekerheid bij springactiviteiten?
Ons advies is om afgekeurde materialen uit de sportaccommodatie te verwijderen. Dat lijkt logisch, maar in de praktijk gaat het vaak anders. Hoe zit het met de risico’s en aansprakelijkheid?
- Als tijdens een inspectie de matten worden afgekeurd, dan wordt dit duidelijk aangegeven, zowel op het inspectierapport als op de matten. Gebruikers zien dus dat de matten zijn afgekeurd.
- Als je deze matten toch inzet, is er sprake van opzettelijk gebruik van afgekeurd materiaal. Bij een ongeval kan "nalatigheid in handelen" verweten worden.
- Ook bij het inzetten van een afgekeurde mat als extra zekerheid bij een springsituatie is sprake van nalatigheid in handelen.
Stel dat een sporter zich ernstig blesseert bij de uitloop na een sprong. Deze blessure ontstaat op een afgekeurde mat. Als de trainer aansprakelijk gesteld wordt, kijkt de verzekeraar naar de situatie waarin de blessure ontstond. Als blijkt dat er afgekeurd materiaal gebruikt is, komt de aansprakelijkheid snel bij de lesgever of trainer te liggen. Het feit dat de blessure waarschijnlijk veel erger zou zijn als die (afgekeurde) mat er niet gelegen zou hebben, is voor de verzekeraar niet relevant. Kortom: nóg een argument om tijdig te investeren in vervanging van de matten!
Nethoogtes voor badminton, basketbal en volleybal
Spelregels en reglementen van competitiesporten lijken vaak helder. Toch ontstaat regelmatig discussie over de toepassing in de praktijk. Voor welk competitieniveau gelden welke regels, hoe zit het met maatvoering en wanneer moeten spelinstallaties aangepast worden na een regelwijziging? In dit artikel vertellen we je alles over de nethoogten en regels rond sportinstallaties voor badminton, basketbal en volleybal.
Badminton
De nethoogte bij badminton is nog wel eens een punt van discussie. Toch zijn de regels heel duidelijk.
- De bovenkant van het net moet in het midden van de baan 1.524 m en bij de zijlijnen voor dubbelspel 1.55 m boven de vloer hangen. Er mag geen ruimte zitten tussen de zijkant van het net en de palen. Zo nodig moet het net over de gehele zijkant aan de palen worden gebonden.
- Bij zitbadminton is de paalhoogte 1.20 m. De nethoogte is 1.176 m in het midden van de baan en bij de zijlijnen voor dubbelspel 1.20 m.
- Voor rolstoelbadminton is de paalhoogte 1.40 m en de nethoogte 1.372 m respectievelijk 1.40 m.
Basketbal
- Het basketbalveld heeft een afmeting van (l x b) 28 x 15 m, gemeten vanaf de binnenzijde van de grenslijnen.
- Nationale bonden hebben de bevoegdheid om voor hun competities, bestaande speelvelden met minimum afmetingen van (l x b) 26 x 14 m goed te keuren. Het bord mag voorzien zijn van een klapring/dunkring maar dat is geen verplichting.
- Mini basketbal (voor kinderen tot 12 jaar) wordt op eenzelfde veld gespeeld als senioren basketbal. De ringhoogte is echter 2.60m en de bordmaat is 0.9 x 1.20 m. Het bord mag van (hard) hout of doorzichtig materiaal zijn.
Volleybal: zaalhoogte
Is een zaal die 7 meter hoog geschikt voor wedstrijdvolleybal? De regels zijn daarin zeer helder. Het gaat niet om de hoogte van de zaal, maar om de obstakelvrije hoogte boven het speelveld: “De vrije speelruimte is de ruimte boven het speelterrein, die vrij van enig obstakel is. Zij moet - gemeten vanaf de vloer - ten minste 7 m hoog zijn.” De voorgeschreven vrije hoogte geldt zowel voor het speelveld, als voor de minimaal verplichte vrije zone om het veld.
Volleybal: wedstrijdnetten
Met ingang van seizoen 2018 – 2019 gelden de volgende eisen. Bij regiowedstrijden zijn wedstrijdnetten met houten stokken toegestaan. Bij tweede-, eerste- en topdivisie zijn houten stokken niet toegestaan. Als er gekozen wordt voor een versteviging van de zijband, dan moet deze van buigzaam materiaal/glasfiber zijn.
Volleybal: nethoogte
- De nethoogte bij herenvolleybal is 2,43 m
- De nethoogte bij damesvolleybal is 2,24 m
- Bij circulatie-minivolleybal wordt meestal een nethoogte aangehouden van 2 m
Overige nethoogtes vind je op de site van de volleybalbond.
Volleybal: de scheidsrechter
Mag een scheidsrechter ook zitten? Of moet hij of zij staan? De regels zeggen het volgende: "De eerste scheidsrechter vervult zijn taken zittend, of staand op een stoel / platform die / dat bij één van de uiteinden van het net is geplaatst. De ooghoogte moet ongeveer 50 cm boven de bovenkant van het net zijn."
Afmetingen van de gymzaal
Een veelgehoorde vraag: In onze gemeente mogen we een nieuwe gymzaal bouwen. We denken aan een zaal met de maten 21 x 12 meter. Nu horen we dat de KVLO als afmetingen gymzaal 26 x 15,4 meter aanbeveelt. Maken die paar meter extra in de praktijk zoveel verschil?
Argumenten vóór grotere gymzalen
Een paar meter extra is een verschil van dag en nacht. In de eerste plaats, de gymzalen van vroeger zijn gebaseerd op een hoeveelheid vierkante meter ruimte per leerling. De lesgroepen zijn sinds die tijd veel groter geworden. Vanuit dat oogpunt is iedere extra meter er één. Maar ook het veranderende bewegingsonderwijs in de afgelopen decennia vraagt om een zaal met grotere afmetingen, in de lengterichting en in de breedte. Welke argumenten liggen hieraan ten grondslag?
Grotere groepen
De projectgroep Normen van de KVLO beveelt een afmeting van 26 x 15,4 meter aan voor een gymzaal. Er zijn hiervoor een aantal belangrijke argumenten aangedragen. Zo zijn de groepen in het basisonderwijs en voortgezet onderwijs groter geworden, waardoor er meer “beweegruimte” nodig is. Om effectief en gevarieerd les te kunnen geven, maar ook om een veilige gymles te kunnen bieden en ongevallen te voorkomen. Daarnaast zijn er vakinhoudelijk belangrijke beweegredenen om voor een grote zaal te kiezen. Dit geeft docenten de mogelijkheid om in 3 vakken les te geven.
In meerdere situaties lesgeven
Het belangrijkste vakinhoudelijke argument is het lesgeven in meerdere situaties. Oftewel het aanbieden van drie of meer activiteiten gelijktijdig. Een wijze van lesgeven die alle hedendaagse bewegingsmethodes adviseren en iets wat vrijwel iedere vakleerkracht bewegingsonderwijs en groepsleerkracht in de praktijk ook doet. Deze manier van lesgeven vergroot de bewegingsintensiteit en leidt ertoe dat activiteiten vaak “in de breedte” worden gegeven. En die extra meters zijn dan zeer gewenst om de activiteiten goed tot hun recht te laten komen.
Zwaaien over de breedte
Eén van de bekendste leerlijnen binnen bewegingsonderwijs is zwaaien. Groot nadeel van zwaaien is dat het veel ruimte inneemt over de lengte van een gymzaal, waardoor naast het zwaaien weinig ruimte overblijft voor andere activiteiten. Maar dit probleem is er niet met een 15,4 meter brede gymzaal. Er kan dan gezwaaid worden over de breedte van de zaal, waardoor de overige zaalruimte veel effectiever voor andere activiteiten kan worden gebruikt. Belangrijk hierbij is in een vroeg stadium, de ontwerpfase van een gymzaal, bij de architect aan te kaarten dat de wens er is te zwaaien over de breedte. In het ontwerp kan dan rekening worden gehouden met een juiste plaatsing van de draagbalken. De gemeente Arnhem heeft een aantal gymzalen op deze wijze ingericht en andere gemeenten hebben zich laten inspireren door dit “Arnhems model”.
Ook voor sportspelen
Ook voor sportspelen, zoals volleybal, badminton, basketbal, korfbal en voetbal bieden de extra meters meerwaarde. In de gymles, maar ook voor trainingen van sportverenigingen in de gymzalen. Sporten – basketbal, korfbal, voetbal, hockey- tijdens de gymles, waarbij het recht van aanval halen centraal staat, worden vaak in meerdere situaties naast elkaar aangeboden. De extra ruimte zorgt letterlijk voor meer diepte in het spel zodat deze sportactiviteit beter tot z’n recht komt en de activiteit beter “loopt”. En bij netspelen over de breedte zoals volleybal en badminton is er meer ruimte achter de achterlijn, waardoor het bekende kort-lang spel –sparren- veel meer uitdaging krijgt. Door de breedte van 15,4 meter kunnen er 3 badmintonvelden naast elkaar liggen. De lengte van 26 meter maakt het mogelijk om basketbal te spelen voor het bewegingsonderwijs. Bij trainingen van sportverenigingen in de avonduren is er meer uitloop buiten de speelbelijning, waardoor de training veiliger is en de kans op aanraking met de muur kleiner is.
Tips inspectie en onderhoud sportinventaris
Een vraag uit de praktijk: “Onze sportbegroting staat onder druk. Nu is het voorstel om de jaarlijkse inspectie van de sportinventaris in onze sportaccommodaties op te schuiven en deze voortaan slechts één keer per twee jaar uit te laten voeren. Mag dat?”
Dit zegt de Arbeidsomstandighedenwet
Sportinventaris in sportaccommodaties wordt vanuit de Arbeidsomstandighedenwet gezien als een arbeidsmiddel voor trainers en docenten die ermee werken. Deze wet bestaat uit vier delen. In het deel ‘Arbeidsomstandighedenbesluit’ staan in de artikelen 3.2, 7.3 en 7.4 heldere eisen waaraan een eigenaar van sportaccommodaties moet voldoen als het gaat om inspectie en onderhoud: ‘Een accommodatie moet regelmatig geïnspecteerd worden door een deskundig persoon. Geconstateerde gebreken die de veiligheid of gezondheid kunnen beïnvloeden, moeten zo snel mogelijk worden hersteld.’ Dus: inspectie is verplicht, maar de wet stelt niet verplicht dat inspectie jaarlijks plaatsvindt.
Veiligheid
Tijdens een inspectie bekijken de inspecteurs de sportinventaris op veiligheid. Zij rapporteren geconstateerde gebreken, waarop jij als eigenaar of beheerder van een accommodatie actie kunt ondernemen om onveilige situaties op te lossen. Een inspectie met een jaar opschuiven kan als gevolg hebben dat er toch onveilige situaties ontstaan. Het gebruik van de inventaris zal in die periode namelijk niet minder intensief zijn. Los van de veiligheid, is het de vraag of het opschuiven van de inspectie daadwerkelijk je echt een bezuiniging oplevert.
Korte termijn besparing
Opschuiven van een inspectie betekent namelijk ook dat kleine defecten niet geconstateerd en gerepareerd worden. In het extra jaar kunnen dit soort kleine defecten verergeren, waardoor de kosten voor het herstel uiteindelijk veel groter zijn. Sterker nog: een kleine scheur in een basketbalbord kan hersteld worden. Als de scheur groter wordt, moet je uiteindelijk een heel nieuw basketbalbord monteren. Zo levert de bezuiniging op het inspectieabonnement je uiteindelijk forse meerkosten op bij reparaties.
Aansprakelijkheid
De Arbeidsomstandighedenwet geeft zoals gezegd niet aan dat een accommodatie jaarlijks geïnspecteerd moet worden. De wet spreekt over ‘regelmatig’ en ‘over het zo snel mogelijk herstellen van gebreken’. Als er een ongeval plaatsvindt in de accommodatie en er volgt aansprakelijkheidsstelling, dan kijkt een verzekeraar altijd naar de omstandigheden waaronder het ongeval plaatsvond en hoe jij als eigenaar van de accommodatie jouw plicht om de accommodatie veilig te houden hebt ingevuld. Het verlengen van de inspectietermijn met een jaar zonder aantoonbare reden (anders dan budget), maakt jouw positie als eigenaar zeker niet sterker. Het kan zelfs leiden tot aansprakelijkheidsstelling op basis van nalatigheid in handelen. Dat wil je uiteraard voorkomen.
Bezuinigen door te investeren
Als je wilt bezuinigen, klinkt het advies om juist te investeren onlogisch. Maar toch: door te investeren in langdurig beleid, door de tijd te nemen accommodaties goed te inventariseren op toekomstig gebruik en inventarisbehoefte, kunnen zomaar onverwachte oplossingen naar voren komen die positief zijn voor jouw budget. Want ook ongebruikte toestellen kosten geld. Kijk ook eens naar het onderhoudsabonnement. Sluit dat nog voldoende aan op de behoeften? Er zijn de afgelopen jaren onderhoudsvormen ontwikkeld die wellicht beter aansluiten op jouw situatie en budget. Zorg dat je je hierover laat informeren.
Inventaris check
De basisinventarislijsten voor BO en VO van de KVLO geven je alvast een goed idee van de inventaris die nodig is voor bewegingsonderwijs in jouw accommodatie. Onze ervaring leert dat er in accommodaties vaak veel meer materialen bijkomen, dan dat er uit gaan. En al die materialen moet geïnspecteerd en onderhouden worden. Een kritische blik in jouw toestelberging biedt wellicht mogelijkheden om (oude en afgeschreven) toestellen te verwijderen. Dat scheelt ruimte en geld.
Welk type basketbalinstallatie past bij jouw sporthal?
Voldoen aan de norm
In de eerste plaats geldt dat alle sportinstallaties moeten voldoen aan spelregels en normen zoals die zijn vastgesteld door de commissie binnensportaccommodatie van NOC*NSF. Die regels schrijven bijvoorbeeld voor dat er voldoende uitloopruimte moet zijn rondom het speelveld. Ook zijn er bijvoorbeeld normen voor de ruimte tussen het bord en de toren. Deze regels zorgen ervoor dat met name de verrijdbare basketbaltorens vaak enorme constructies worden. Dat is nodig, om de toren tijdens wedstrijden in balans te houden. De torens hebben namelijk een zwaar contragewicht om de krachten van een dunkende speler die aan de ring hangt op te vangen.
Afweging 1: ambitieniveau
Als jouw vereniging op internationaal niveau speelt is de keuze eenvoudig: in dat geval is een verplaatsbare wedstrijdtoren verplicht. Speelt de vereniging in jouw hal niet op dat niveau en heeft de vereniging ook die ambitie niet, dan zijn er een aantal alternatieven. Je kunt kiezen voor een verplaatsbare toren met een kleinere afstand tussen het bord en de toren, voor een plafondinstallatie, of zelfs voor een installatie op de muur.
Afweging 2: bouwkundige voorzieningen
Afhankelijk van jouw keuze moeten bouwkundige voorzieningen aangebracht worden in de sporthal. Voor een plafondinstallatie moet de staalconstructie van de hal wellicht versterkt worden. Of als de vrije zaalhoogte beperkt is, moet er een koof (uitbouw) komen, waarin de installatie in ingeklapte stand weggewerkt wordt. Die koof garandeert de obstakelvrije hoogte tijdens het uitoefenen van ándere sporten in de hal. Voor een verrijdbare basketbaltoren heb je een grondvoorziening nodig, waaraan de toren verankerd wordt.
Afweging 3: de berging
De verrijdbare basketbaltoren is omvangrijk en vraagt veel bergruimte. Eén wedstrijdtoren vraagt een bergruimte van (b x h x d) 184 x 194 x 487 cm. Zeker in hallen waarin veel verenigingen sporten, is de toestelberging vaak overvol. Deze torens vormen dan enorme obstakels. Als jouw hal een kleine toestelberging heeft, kan een plafondinstallatie dus een goed alternatief zijn.
Afweging 4: ergonomie
Vanuit ergonomisch perspectief geniet een plafondinstallatie de voorkeur. Met behulp van een eenvoudig bedieningspaneel aan de wand, kun je met een druk op de knop alles in- en uitklappen. De verrijdbare wedstrijdtorens zijn overigens bedieningsvriendelijk gemaakt, om ze eenvoudig door de zaal te kunnen rijden.
Tot slot
De keuze voor een basketbaltoren of een plafondinstallatie is dus van meerdere factoren afhankelijk. Goed om te weten is dat beide varianten uit het assortiment van Nijha voldoen aan de gestelde normen.
5 tips inrichting sporthal
Tip 1: leg het ambitieniveau vast
De centrale vraag is: hoe en door wie wordt jouw accommodatie de komende jaren gebruikt? Als je dit helder hebt, kun je veel nauwkeuriger bepalen welke inrichting je nodig hebt. Kijk daarbij bij voorkeur ook 10 tot 15 jaar vooruit. Stel je zelf de volgende vragen: Blijft het onderwijsgebruik gelijk? Verwachten we nieuwe sporten en verenigingen in de accommodatie? Hoe ziet de exploitatie er nu uit en welke (extra) verhuurkansen liggen er in de nabije toekomst? Welke materiaalbehoefte hoort daarbij? De keuze die je nú maakt voor de plek van vaste sporttoestellen, hijsunits voor ringen en touwen, klimrekken en van volleybalpotten – bepalen immers voor de komende 15 tot 20 jaar hoe er in jouw sporthal gesport wordt.
Tip 2: de basisinventarislijst is géén goede basis voor een offerte
De KVLO (vakvereniging van vakleerkrachten LO) heeft basisinventarislijsten gemaakt voor onderwijsgebruik door primair onderwijs en voortgezet onderwijs. Vaak verwijzen de eigenaren van een sporthal naar deze lijsten, als basis voor een offerte. Onze ervaring leert dat dit een enorme variatie in offertes oplevert, omdat deze inventarislijsten ervan uitgaan dat scholen keuzes maken uit de geboden opties. Door de lijst klakkeloos op te sturen, gaat een inrichter die keuzen maken. Het is beter om dit zelf te doen, door samen met gebruikers een inrichtingsplan op te stellen. Dat levert uiteindelijk een wensenlijst op, die als uitgangspunt dient voor het opvragen van offertes. Zo kun je de offertes van verschillende inrichters veel beter met elkaar vergelijken. En als er op toestelniveau vernieuwingen zijn, dan geeft Nijha dit als alternatief weer.
Tip 3: betrek de gekozen inrichter al vroeg bij het project
De keuze voor een bepaalde sporttechnische inrichting, heeft consequenties voor bouwkundige voorzieningen. Het aantal gewenste volleybalvelden bepaalt bijvoorbeeld hoeveel grondvoorzieningen voor de volleybalpalen er nodig zijn. En de gewenste locatie van plafond-units, heeft invloed op de plek van de verlichting in de zaal. Daarom is het belangrijk om Nijha als inrichter al te betrekken in de fase waarin de architect het voorlopig ontwerp maakt. Dan kun je aanpassingen nog eenvoudig doorvoeren. Met de technische tekeningen van de inrichter, kan een constructeur tijdig het benodigde staalwerk doorrekenen. Als het definitief ontwerp klaar is, zijn wijzigingen tijdrovend en kostbaar en werken ze verstorend op het inrichtingsproces.
Tip 4: maak een inrichtingsplan
Als je jouw ambitieniveau hebt bepaald, kun je al snel een grove inrichtingswens en materialenlijst gymzaal opstellen. Dat hoeft niet per se tot op detailniveau – dat kun je ook later doen. Als het maar duidelijk is wie er gebruikmaken van de zaal en wat de primaire wensen van de gebruikers zijn. Als jij bijvoorbeeld weet dat er wedstrijdvolleybal op een bepaald niveau gespeeld gaat worden, op een specifiek aantal velden: dan kan weet Nijha – of een andere inrichter – hoeveel palen, grondpotten en netten je daarvoor nodig hebt. Hetzelfde geldt voor een gymzaal bank, dikke mat gymzaal of kast gymzaal. Weten welke gymtoestellen je moet kopen is dus belangrijk, maar welk gymzaal materiaal je precies kiest, kun je ook later beslissen.
Tip 5: laat inrichters hun visie en offerte toelichten
Vaak worden offertes na binnenkomst besproken en vergeleken in een projectgroep van de opdrachtgever. Op basis daarvan maakt de opdrachtgever een keuze voor een inrichter. Omdat de aanbiedingen tekstueel en inhoudelijk verschillen, is het voor niet-ingewijden vaak lastig de onderlinge verschillen goed te duiden. Ook wordt uit een offerte lang niet altijd duidelijk vanuit welke visie de inrichter bepaalde keuzen maakt. Ons advies: laat aanbieders hun voorstel toelichten, zodat duidelijk wordt waarom welke keuzen gemaakt zijn. Je krijgt veel kwalitatieve informatie, op basis waarvan je vervolgens een gedegen keuze maakt.
Veiligheid sportinventaris en inspectiemethodiek
Gebruikers zijn gebaat bij een veilige sportinventaris. Daarom is er een periodieke veiligheidsinspectie voor sportinventaris. Inspecterende bedrijven hanteren daarbij niet allemaal dezelfde systematiek, dat leidt soms tot discussie. Hoe komt dat en zijn er gevolgen voor de veiligheid?
Normen als basis voor de inspecties
Bij inspecties van sportinventaris worden relevante Europese normen als uitgangspunt genomen. Voor veel toestellen bestaan specifieke normen, waarin eisen staan voor veiligheid, constructie en gebruik. Als er geen specifieke norm beschikbaar is, wordt vaak de algemene norm NEN-EN 913 gebruikt.
Deze normen bevatten technische en veiligheidseisen die helpen beoordelen of een toestel veilig is ontworpen, geïnstalleerd en gebruikt kan worden.
In tegenstelling tot speeltoestellen, die onder het Warenwetbesluit attractie- en speeltoestellen vallen, zijn normen voor sportinventaris meestal niet wettelijk verplicht. Ze worden wel gezien als belangrijke richtlijn en kwaliteitsstandaard binnen de branche. Het volgen van een norm laat zien dat een toestel voldoet aan de huidige veiligheidsinzichten.
Inspecteurs gebruiken deze normen als hulpmiddel bij hun beoordeling, samen met praktijkervaring, gebruiksomstandigheden, onderhoud en slijtage. De uiteindelijke beoordeling is dus altijd een combinatie van normen en professionele inschatting.
Hoe ontstaan verschillen?
Inspectie systematiek
Verschillen in de uitkomsten van inspecties ontstaan door de interpretatie van de normen. Deze kunnen zwart/wit gehanteerd worden of toegepast vanuit het gebruik. In het laatste geval wordt, naast de veiligheid, nadrukkelijk gekeken of een product nog te repareren is.
Voorbeeld van een interpretatieverschil
Neem een springkast die op bepaalde punten afwijktvan de norm, maar in de praktijk geen direct veiligheidsrisico oplevert. Nijha beoordeelt zo’n kast vanuit het gebruik en kan deze goedkeuren. Wanneer de norm strikt wordt toegepast, kan een andere partij dit beoordelen als een ‘verhoogd risico’.
Wat te doen met verschillen in interpretatie?
De eigenaar van de sportinventaris is verantwoordelijk voor de veiligheid en staat van de toestellen. Met een periodieke inspectie laat je zien dat je veiligheid serieus neemt, zeker als je ook opvolging geeft aan de adviezen.
Wanneer adviezen gebaseerd zijn op een strikte interpretatie van de norm, kan dit leiden tot (snellere) vervanging. Het is aan de eigenaar om hierin een bewuste afweging te maken. Vraag de inspecterende partij altijd naar het daadwerkelijke risico voor de gebruiker als een advies niet wordt opgevolgd. Betrek hierbij ook het gebruik in de praktijk, zoals hoevaak en op welke manier toestellen worden gebruikt.
Een inspectie is een momentopname
Welke systematiek er ook gehanteerd wordt, na een inspectie ligt er een juiste weergave van de staat van de sportinventaris. Het betreft wel een momentopname. Een dag na de inspectie kan een toestel bij gebruik een defect oplopen. Veiligheid van sportinventaris vraagt dus dagelijks aandacht en is niet af te dekken met alleen het afsluiten van een inspectieovereenkomst.
Conclusie
Bedrijven hanteren hun eigen inspectiemethodiek, met als uitgangspunt eenv eilige sportinventaris. Het strikt toepassen van normen of het beoordelen op basis van gebruik en risico’s kan leiden tot verschillen in uitkomsten. Dit is geen fout, maar het gevolg van een professionele risico-inschatting.
De eigenaar van de sportinventaris blijft verantwoordelijk en maakt uiteindelijk de afweging welke adviezen worden opgevolgd. Bij twijfel kan altijd een second opinion worden aangevraagd.
Hoe interpreteer je afschrijftermijnen?
Een vraag uit de praktijk: “Onze gymzalen worden intensief gebruikt door het onderwijs en in de meeste zalen zit ook avondgebruik. De onderwijsinrichting is gebaseerd op de basisinventarislijst van de KVLO en deze wordt jaarlijks geïnspecteerd. Nu zijn onze matten en minitramps afgekeurd, terwijl de afschrijftermijn - zoals die in de KVLO basisinventarislijst staat - nog niet verstreken is. Kan dat?”
Economische afschrijftermijn - reserveringen doen
Afschrijftermijnen in de basisinventarislijsten zijn gemiddelde afschrijftermijnen. Het is een economische afschrijftermijn die je als accommodatie kunt gebruiken om jaarlijks geld te reserveren voor het vervangen van toestellen. Stel: een turnbank heeft een afschrijftermijn van 15 jaar. Dan reserveer je jaarlijks 1/15 deel van het bedrag, zodat je over 15 jaar voldoende geld hebt om een nieuwe bank aan te schaffen. Helaas is het gebruik niet in alle zalen gelijk en dat kan verschil opleveren tussen de werkelijke levensduur van sportinventaris - en de gemiddelde afschrijftermijn.
Sporttechnische afschrijftermijn - de praktijk
Naast de economische afschrijftermijn, is het verstandig ook te kijken naar de sporttechnische afschrijftermijn. Deze termijn wordt vastgesteld op basis van het daadwerkelijke gebruik. Als een mat of minitramp zowel overdag door het onderwijs - als ’s avonds door een gymvereniging - veelvuldig gebruikt worden, dan treedt er eerder slijtage en dus afkeur op dan wanneer deze materialen slechts incidenteel worden ingezet. Dat kan betekenen dat een minitramp in de éne zaal een sporttechnische afschrijftermijn van 5 jaar heeft, terwijl in een andere zaal 10 jaar realistisch is.
Gevolgen van oneigenlijk gebruik
Niet alleen de gebruiksintensiteit bepaalt de werkelijke afschrijftermijn. Ook de manier waarop de sportinventaris wordt ingezet heeft invloed. In het bewegingsonderwijs worden springkasten niet alleen meer gebruikt om overheen te springen. Ze zijn ook onderdeel van een hindernisbaan, worden ingezet bij freerunning, er worden schuine vlakken op gebouwd en de losse delen worden gebruikt in een behendigheidsparcours. Dit gebruik leidt tot grotere slijtage en versnelde afschrijving, omdat springkasten hier niet voor gemaakt zijn. In dat geval is het niet alleen belangrijk de juiste sporttechnische afschrijftermijn te bepalen, maar ook om bij vervanging te zoeken naar producten die beter aansluiten op het huidige gebruik. Denk aan combiframes of Sport cubes.
Voorbereid op de toekomst
Om te voorkomen dat je jaarlijks geld te kort komt voor onderhoud en vervanging, is het dus verstandig om de werkelijke sporttechnische afschrijftermijnen van alle sportinventaris in beeld te hebben. Dat kan door het op (laten) stellen van een meerjarenbegroting per sportaccommodatie. Hiermee maak je niet alleen inzichtelijk hoe lang toestellen meegaan, maar ook welk budget je de komende jaren nodig hebt om toestellen op tijd te vervangen.
Wanneer kies je voor een gymzaal of voor een sporthal?
Veel scholen staan op enig punt voor de beslissing: gaan we beweegonderwijs geven in een gymzaal, of in een sporthal? Beide mogelijkheden hebben hun voors en tegens. We zetten de afwegingen voor scholen op een rij.
Scholen hebben veel ruimte nodig voor gymlessen. Gebruikmaken van een grote sporthal lijkt dan een ideale oplossing. Je hebt daar immers vaak drie keer zoveel ruimte. Ook vanuit gemeenten – de eigenaren van veel grote sportaccommodaties – wordt dit vaak toegejuicht. Gemeenten die bijvoorbeeld overwegen een topsportaccommodatie neer te zetten, gaan er graag vanuit dat het onderwijs een bijdrage zal leveren aan het gebruik en dus ook aan de huur. Toch zijn (top)sporthallen niet bij voorbaat geschikt voor beweegonderwijs.
Vierkante versus kubieke meters
Onderwijs heeft baat bij vierkante meters om alle kinderen een plek te bieden. De sport vraagt daarentegen om kubieke meters. De internationale regels voor sporten vereisen steeds hogere hallen. Daarom komen er meer en meer topsporthallen met een hoogte van 9 meter en zelfs al 11 meter. Voor onderwijsgebruik - maar ook voor trainingen van de gemiddelde sportvereniging - volstaat een hoogte van 7 meter. Die 2 of 4 meter extra hoogte leveren het onderwijs geen meerwaarde op. Sterker nog, die extra hoogte levert problemen op als het gaat om bijvoorbeeld de zwaaitoestellen.
Eén hal versus variatie in ruimtes
Een topsporthal is veelal niet meer dan een hoge hal waarin topsportvoorzieningen als basketbaltorens en volleybal centercourts zijn aangebracht. En natuurlijk tribunes voor de toeschouwers. Voor het onderwijs is een topsporthal niet anders dan een accommodatie waar kwalitatief goede lessen bewegingsonderwijs gegeven moeten kunnen worden.
Bepaal op basis van het vakwerkplan LO welke behoefte jouw school heeft. Tip: weeg dit ook eens af samen met andere scholen in de gemeente. Misschien heb je behoefte aan één grote hal. Misschien passen 3 losse gymzalen beter bij de behoeften. Maar het kan ook dat je behoefte hebt aan één gymzaal, één spelzaal en één kleine fitnessruimte. Die verschillende ruimtes kun je uiteraard ook binnen één accommodatie onderbrengen waarbij je een bergruimte en inventaris deelt.
Bouwtechnische aanpassingen
Bewegingsonderwijs vraagt om de juiste onderwijs sportinventaris. En daarvoor zijn extra (bouwkundige) investeringen nodig als je hiervoor een topsporthal wilt gebruiken. Zoals:
- Het zwaaipunt voor ringenzwaaien moet verlaagd worden naar 5,5 meter voor onderwijsgebruik. Bij een zaalhoogte van 9 meter kan dat niet meer vanaf het plafond. Een extra tussenconstructie is dus nodig.
- Alle sporttoestellen zoals bijvoorbeeld klimrekken en basketbalinstallaties moeten ‘obstakelvrij’ gemonteerd worden. Ook daarvoor zijn extra bouwkundige voorzieningen nodig.
- Voor onderwijs heb je een grotere toestelberging nodig. Oppervlak en indeling moeten zo zijn dat onderwijsinventaris niet geblokkeerd wordt door grote sportinstallaties als verplaatsbare basketbaltorens. Deze extra vierkante meters moeten vroegtijdig bekend zijn.
Akoestiek
De akoestiek in topsporthallen laat nogal eens te wensen over als het gaat om onderwijsgebruik. Bij een volleybalwedstrijd op topniveau met een goed gevulde tribune is sprake van een heel andere akoestiek, dan in een 9 meter hoge hal waarin 30 kinderen basketballen. Veel docenten bewegingsonderwijs hebben gehoorbeschadigingen en stemproblemen. Uit onderzoek van de KVLO blijkt dat de slechte akoestiek in binnensportaccommodaties hier vaak de oorzaak van is. Alle reden om de normen voor akoestiek mee te nemen in je besluitvorming.
Stel jezelf ook de volgende vragen
Om een goede afweging te maken kun je daarnaast nog denken aan de volgende zaken:
- Bereikbaarheid: een topsporthal staat vaak aan de rand van de gemeente. Gaat vervoer van de leerlingen naar de gymles dan af van de effectieve beweegtijd?
- Financiën: als je voor een sporthal kiest, hoe zijn de exploitatiekosten verdeeld over alle gebruikers? In een gymzaal zijn de kosten voor inventaris en beheer vaak lager.
- Leerlingenprognose: wat heb je op middellange en lange termijn nodig aan ruimte?
- Avondopenstelling: als je kiest voor een eigen gymzaal, onderzoek dan ook een de mogelijkheden om deze ’s avonds te verhuren aan andere verenigingen.
- Daglicht en energie: sporthallen hebben meestal geen daglicht. En wat zijn de kosten voor de school voor kunstlicht (en warmte) bij sporthalgebruik?
Advies van een expert
Is jouw besluitvorming na het lezen van dit artikel eenvoudiger geworden? Of roept het juist meer vragen op? Aarzel niet om advies te vragen aan de experts van Nijha. Wij hebben jarenlange ervaring met zowel gymzalen als sporthallen. We werken veel samen met scholen, verenigingen en gemeenten en kunnen je helpen bij de juiste keuze voor de wensen en mogelijkheden van jouw school.
