Tips & Tricks
Wij delen graag onze tips en tricks zodat jij meer mensen met plezier in beweging kan krijgen.
Artikelen
Zo zet je bewegend leren in
Tafels leren, spellen en jaartallen uit je hoofd leren: veel kinderen doen liever een potje voetbal op het schoolplein. Gelukkig is Bewegend Leren in opkomst: dat combineert het beste uit beide werelden. Kinderen zijn lekker fysiek actief, en doen intussen kennis op over bijvoorbeeld taal en rekenen. Hoe dat werkt voor jouw klas? In dit artikel geven we je een aantal tips.
Bij Bewegend Leren gebruik je bewegen als middel om kinderen iets te leren. De gedachte daarbij is dat kinderen lesstof sneller opnemen, omdat ze erbij bewegen.
Bewegend leren en rekenen
Rekenvaardigheden zijn bij uitstek geschikt om op een bewegende manier aan te leren. We geven je wat inspiratie:
- Tafels leren: Zet pionnen met cijfers neer en kies een tafel uit (bijvoorbeeld de tafel van 4). Laat kinderen met een voetbal mikken op een willekeurig getal. En noem de vermenigvuldiging van dat getal met de tafel van 4.
- Meten met tweetallen: Zet een streep op de vloer. Eén kind zet met 2 voeten af en springt zo ver mogelijk. Een ander kind heeft de rolmaat en meet de afstand. Hoeveel centimeter is er gesprongen? Wie van de twee springt het verst? Of wie landt met de hakken het dichtst bij 75 cm?
- Optellen en aftrekken: Rol met 2 dobbelstenen waarop getallen zichtbaar zijn. Wat is de optelsom van de 2 worpen? Trek het laagste getal van het hoogste getal af. Maak zoveel kikkersprongen als de uitkomst.

Bewegend leren voor geschiedenis en aardrijkskunde
Misschien minder voor de hand liggend, maar ook vakken als geschiedenis en aardrijkskunde kun je kinderen prima bewegenderwijs aanleren. Zo doe je dat bijvoorbeeld:
- Aardrijkskunde: Hang kaartjes op met afbeeldingen van de continenten. Hang ze een beetje hoog. Stop afbeeldingen van dieren in de Move Cube dobbelsteen. Laat kinderen rollen met de dobbelsteen. Bij welk continent past dat dier? Kinderen tikken al springend het kaartje van het juiste continent aan.
- Geschiedenis: Hang kaartjes met jaartallen aan het plafond. Maak kaartjes met vragen. Welk getal komt het dichtst bij de Middeleeuwen? Wanneer viel de Berlijnse muur? Wanneer stopte de 2e wereldoorlog? Laat de kinderen springen naar jhet juiste jaartal.
Bewegend leren en taal
Ook taal kun je kinderen al bewegend aanbieden. Hoe dan? Bekijk onderstaande voorbeelden:
- Spellen: Hang kaartjes op met alle letters. Hang ze een beetje hoog. Bedenk een woord. Laat kinderen springend de letters aantikken in de juiste volgorde. Voorbeeld: b-u-s.
- Spellingscategoriën: Leg kaartjes op de grond met ‘ng’ en ‘nk’. Noem woorden met die klank. Kinderen moeten zo snel mogelijk achter het kaartje gaan staan met de juiste spelling.
- Engels leren: Hang antwoordkaartjes aan het plafond met Yes en No. Stel kinderen vragen in het Engels. Laat hen al springend het juiste antwoordkaartje aantikken.
Nethoogtes voor badminton, basketbal en volleybal
Spelregels en reglementen van competitiesporten lijken vaak helder. Toch ontstaat regelmatig discussie over de toepassing in de praktijk. Voor welk competitieniveau gelden welke regels, hoe zit het met maatvoering en wanneer moeten spelinstallaties aangepast worden na een regelwijziging? In dit artikel vertellen we je alles over de nethoogten en regels rond sportinstallaties voor badminton, basketbal en volleybal.
Badminton
De nethoogte bij badminton is nog wel eens een punt van discussie. Toch zijn de regels heel duidelijk.
- De bovenkant van het net moet in het midden van de baan 1.524 m en bij de zijlijnen voor dubbelspel 1.55 m boven de vloer hangen. Er mag geen ruimte zitten tussen de zijkant van het net en de palen. Zo nodig moet het net over de gehele zijkant aan de palen worden gebonden.
- Bij zitbadminton is de paalhoogte 1.20 m. De nethoogte is 1.176 m in het midden van de baan en bij de zijlijnen voor dubbelspel 1.20 m.
- Voor rolstoelbadminton is de paalhoogte 1.40 m en de nethoogte 1.372 m respectievelijk 1.40 m.
Basketbal
- Het basketbalveld heeft een afmeting van (l x b) 28 x 15 m, gemeten vanaf de binnenzijde van de grenslijnen.
- Nationale bonden hebben de bevoegdheid om voor hun competities, bestaande speelvelden met minimum afmetingen van (l x b) 26 x 14 m goed te keuren. Het bord mag voorzien zijn van een klapring/dunkring maar dat is geen verplichting.
- Mini basketbal (voor kinderen tot 12 jaar) wordt op eenzelfde veld gespeeld als senioren basketbal. De ringhoogte is echter 2.60m en de bordmaat is 0.9 x 1.20 m. Het bord mag van (hard) hout of doorzichtig materiaal zijn.
Volleybal: zaalhoogte
Is een zaal die 7 meter hoog geschikt voor wedstrijdvolleybal? De regels zijn daarin zeer helder. Het gaat niet om de hoogte van de zaal, maar om de obstakelvrije hoogte boven het speelveld: “De vrije speelruimte is de ruimte boven het speelterrein, die vrij van enig obstakel is. Zij moet - gemeten vanaf de vloer - ten minste 7 m hoog zijn.” De voorgeschreven vrije hoogte geldt zowel voor het speelveld, als voor de minimaal verplichte vrije zone om het veld.
Volleybal: wedstrijdnetten
Met ingang van seizoen 2018 – 2019 gelden de volgende eisen. Bij regiowedstrijden zijn wedstrijdnetten met houten stokken toegestaan. Bij tweede-, eerste- en topdivisie zijn houten stokken niet toegestaan. Als er gekozen wordt voor een versteviging van de zijband, dan moet deze van buigzaam materiaal/glasfiber zijn.
Volleybal: nethoogte
- De nethoogte bij herenvolleybal is 2,43 m
- De nethoogte bij damesvolleybal is 2,24 m
- Bij circulatie-minivolleybal wordt meestal een nethoogte aangehouden van 2 m
Overige nethoogtes vind je op de site van de volleybalbond.
Volleybal: de scheidsrechter
Mag een scheidsrechter ook zitten? Of moet hij of zij staan? De regels zeggen het volgende: "De eerste scheidsrechter vervult zijn taken zittend, of staand op een stoel / platform die / dat bij één van de uiteinden van het net is geplaatst. De ooghoogte moet ongeveer 50 cm boven de bovenkant van het net zijn."
Richtlijnen buitenruimte
De buitenruimte bij kinderopvangcentra en BSO’s krijgt steeds meer aandacht. Waar jarenlang de nadruk lag op de binnenruimte is het nu tijd voor een uitdagende buitenruimte. Welke eisen zijn er aan buitenruimtes en waar moet je op letten bij het ontwerp en de inrichting.
De Wet Kinderopvang schrijft voor dat per kind er minimaal 3 vierkante meter per kind buitenruimte beschikbaar moet zijn. 99% van de kinderopvangcentra voldoet aan deze norm. Voor BSO-kinderen is dit echter veel te weinig. En zelfs voor jonge kinderen is 3 vierkante meter erg krap. Een onderzoek heeft uitgewezen dat 8 vierkante meter buitenruimte een BSO-kind voldoende ruimte om te bewegen geeft.
Buiten bewegen is gezond!
Buiten zijn is goed voor kinderen. En helemaal als ze dan ook nog in beweging zijn. De buitenruimte bij de opvang vraagt dus niet alleen een bepaalde afmeting, maar moet ook uitdagen tot bewegen. Een aantrekkelijk, overzichtelijk plein is hierbij een pré. Een plein waar zowel het jonge kind (0-4) als de BSO-kinderen (4-12) met plezier kunnen bewegen. De buitenruimte dient ook geschikt te zijn voor vrij spelen en (naschoolse) activiteiten, met of zonder sport- en spelmateriaal. En denk ook aan ruimte voor rustmomenten en lekker chillen.
Buitenruimte vraagt om andere insteek
Een buitenruimte van een kinderopvang vraagt op sommige vlakken om een andere insteek dan een plein dat alleen voor een basisschool bestemd is. Waarom? BSO-kinderen zijn soms wel 1,5 tot 2 uur buiten aan het spelen. Het plein moet geschikt zijn voor naschoolse activiteiten en het leeftijdsverschil tussen kinderen die op één plein spelen is veel groter dan op een schoolplein. Deze en andere facetten vragen om een andere inrichting van het plein bij een kinderopvang/BSO.
Bewegend leren in de klas
Triiiiing! Half negen ‘s ochtend, de schoolbel is gegaan en alle leerlingen zitten netjes op hun billen, in de kring of aan hun tafel. De rust keert terug in de klas en het leerproces kan beginnen. Toch? Klinkt voorgaande jou ideaal in de oren? Of probeer jij ‘zittend leren’ te beperken?
De meeste leerkrachten zijn intussen wel bekend met ‘Bewegend leren’. Veel scholen experimenteren er al mee. Ook doen wetenschappers volop onderzoek naar de voordelen van deze aanpak. Maar wat is nou precies de gedachte achter Bewegend Leren, waar kun je allemaal aan denken? En hoe kun jij het zelf in de klas toepassen? Dat zetten we in dit artikel voor je op een rij.
Wat is Bewegend Leren?
Op en rondom de school zijn kinderen al volop fysiek actief: van gymles, tot speelkwartier, tot beweegbreaks. Bewegend Leren is anders, omdat je het bewegen echt in het leerproces inzet. En dan bedoelen we niet dat ze leren sporten, maar juist vaardigheden als spellen, vermenigvuldigen en geschiedenis. De gedachte daarbij is dat kinderen lesstof al bewegend sneller opnemen.
Hoe gebruik je Bewegend Leren in de klas?
De meeste leerkrachten zetten bewegen in de klas op twee manieren in:
Je kunt het pure leren afwisselen met korte beweegpauzes. Dus even springen, rennen, of dansen tussendoor, om de concentratie te verhogen en daarna weer fris aan de slag te gaan.
Je kunt kinderen ook iets leren op een bewegende manier. Denk aan hinkelend optellen, taalspelletjes in estafettevorm, of tafels automatiseren tijdens het stuiten van een bal.
Voorbeelden van Bewegend Leren uit het basisonderwijs
We geven je graag wat voorbeelden van Bewegend Leren die jij meteen in jouw klas kunt gebruiken.
Meten met tweetallen: Zet een streep op de vloer. Eén kind zet met 2 voeten af en springt zo ver mogelijk. Een ander kind heeft de rolmaat en meet de afstand. Hoeveel centimeter is er gesprongen? Wie van de twee springt het verst? Of wie landt met de hakken het dichtst bij 75 cm?
Aardrijkskunde: Hang kaartjes op met afbeeldingen van de continenten. Hang ze een beetje hoog. Stop afbeeldingen van dieren in de Move Cube dobbelsteen. Laat kinderen rollen met de dobbelsteen. Bij welk continent past dat dier? Kinderen tikken al springend het kaartje van het juiste continent aan.
Engels leren: Hang antwoordkaartjes aan het plafond met Yes en No. Stel kinderen vragen in het Engels. Laat hen al springend het juiste antwoordkaartje aantikken.
Bekijk nog veel meer speltips in ons Inspiratieboek Bewegend Leren.
Zo kun je beginnen met Bewegend Leren
Om op jouw school te starten met Bewegend Leren heb je twee dingen nodig: inspiratie en de juiste materialen om jouw lessen ook echt actiever te maken. Nijha helpt je met beide. Bekijk een voorbeeld van compleet Bewegend Leren spelpakketten die je kunt inzetten.
De voordelen van Bewegend Leren
Tot slot is nog belangrijk om te zeggen: Bewegend Leren is een vakgebied in ontwikkeling. Er is nog geen keihard bewijs dat kinderen er echt beter van gaan leren. We weten nu eenmaal nog niet precies hoe het brein van kinderen werkt en hoe bewegen en leren samenhangen. Intussen wordt in de praktijk al flink geëxperimenteerd. Wat weten we al wel?
Bewegen is goed voor de gezondheid. Daar is zelfs een beweegrichtlijn voor ontwikkeld: 1 uur per dag is het minimum. Iets wat niet alle kinderen halen.
Leerkrachten ervaren dat veel kinderen bewegen ‘nodig’ hebben. Zij geven aan dat het inzetten van beweging positief werkt voor de concentratie in de klas.
Kinderen hebben een betere aandacht in de klas, als zij op een schooldag twee keer bewegen dan wanneer zij één keer bewegen of de hele ochtend stilzitten.
Kinderen zijn enthousiast over extra bewegen op school.
En niet onbelangrijk: ook ouders vinden het steeds belangrijker dat de school van hun kinderen voldoende beweegactiviteiten aanbiedt.
Welk type basketbalinstallatie past bij jouw sporthal?
Voldoen aan de norm
In de eerste plaats geldt dat alle sportinstallaties moeten voldoen aan spelregels en normen zoals die zijn vastgesteld door de commissie binnensportaccommodatie van NOC*NSF. Die regels schrijven bijvoorbeeld voor dat er voldoende uitloopruimte moet zijn rondom het speelveld. Ook zijn er bijvoorbeeld normen voor de ruimte tussen het bord en de toren. Deze regels zorgen ervoor dat met name de verrijdbare basketbaltorens vaak enorme constructies worden. Dat is nodig, om de toren tijdens wedstrijden in balans te houden. De torens hebben namelijk een zwaar contragewicht om de krachten van een dunkende speler die aan de ring hangt op te vangen.
Afweging 1: ambitieniveau
Als jouw vereniging op internationaal niveau speelt is de keuze eenvoudig: in dat geval is een verplaatsbare wedstrijdtoren verplicht. Speelt de vereniging in jouw hal niet op dat niveau en heeft de vereniging ook die ambitie niet, dan zijn er een aantal alternatieven. Je kunt kiezen voor een verplaatsbare toren met een kleinere afstand tussen het bord en de toren, voor een plafondinstallatie, of zelfs voor een installatie op de muur.
Afweging 2: bouwkundige voorzieningen
Afhankelijk van jouw keuze moeten bouwkundige voorzieningen aangebracht worden in de sporthal. Voor een plafondinstallatie moet de staalconstructie van de hal wellicht versterkt worden. Of als de vrije zaalhoogte beperkt is, moet er een koof (uitbouw) komen, waarin de installatie in ingeklapte stand weggewerkt wordt. Die koof garandeert de obstakelvrije hoogte tijdens het uitoefenen van ándere sporten in de hal. Voor een verrijdbare basketbaltoren heb je een grondvoorziening nodig, waaraan de toren verankerd wordt.
Afweging 3: de berging
De verrijdbare basketbaltoren is omvangrijk en vraagt veel bergruimte. Eén wedstrijdtoren vraagt een bergruimte van (b x h x d) 184 x 194 x 487 cm. Zeker in hallen waarin veel verenigingen sporten, is de toestelberging vaak overvol. Deze torens vormen dan enorme obstakels. Als jouw hal een kleine toestelberging heeft, kan een plafondinstallatie dus een goed alternatief zijn.
Afweging 4: ergonomie
Vanuit ergonomisch perspectief geniet een plafondinstallatie de voorkeur. Met behulp van een eenvoudig bedieningspaneel aan de wand, kun je met een druk op de knop alles in- en uitklappen. De verrijdbare wedstrijdtorens zijn overigens bedieningsvriendelijk gemaakt, om ze eenvoudig door de zaal te kunnen rijden.
Tot slot
De keuze voor een basketbaltoren of een plafondinstallatie is dus van meerdere factoren afhankelijk. Goed om te weten is dat beide varianten uit het assortiment van Nijha voldoen aan de gestelde normen.
5 tips inrichting sporthal
Tip 1: leg het ambitieniveau vast
De centrale vraag is: hoe en door wie wordt jouw accommodatie de komende jaren gebruikt? Als je dit helder hebt, kun je veel nauwkeuriger bepalen welke inrichting je nodig hebt. Kijk daarbij bij voorkeur ook 10 tot 15 jaar vooruit. Stel je zelf de volgende vragen: Blijft het onderwijsgebruik gelijk? Verwachten we nieuwe sporten en verenigingen in de accommodatie? Hoe ziet de exploitatie er nu uit en welke (extra) verhuurkansen liggen er in de nabije toekomst? Welke materiaalbehoefte hoort daarbij? De keuze die je nú maakt voor de plek van vaste sporttoestellen, hijsunits voor ringen en touwen, klimrekken en van volleybalpotten – bepalen immers voor de komende 15 tot 20 jaar hoe er in jouw sporthal gesport wordt.
Tip 2: de basisinventarislijst is géén goede basis voor een offerte
De KVLO (vakvereniging van vakleerkrachten LO) heeft basisinventarislijsten gemaakt voor onderwijsgebruik door primair onderwijs en voortgezet onderwijs. Vaak verwijzen de eigenaren van een sporthal naar deze lijsten, als basis voor een offerte. Onze ervaring leert dat dit een enorme variatie in offertes oplevert, omdat deze inventarislijsten ervan uitgaan dat scholen keuzes maken uit de geboden opties. Door de lijst klakkeloos op te sturen, gaat een inrichter die keuzen maken. Het is beter om dit zelf te doen, door samen met gebruikers een inrichtingsplan op te stellen. Dat levert uiteindelijk een wensenlijst op, die als uitgangspunt dient voor het opvragen van offertes. Zo kun je de offertes van verschillende inrichters veel beter met elkaar vergelijken. En als er op toestelniveau vernieuwingen zijn, dan geeft Nijha dit als alternatief weer.
Tip 3: betrek de gekozen inrichter al vroeg bij het project
De keuze voor een bepaalde sporttechnische inrichting, heeft consequenties voor bouwkundige voorzieningen. Het aantal gewenste volleybalvelden bepaalt bijvoorbeeld hoeveel grondvoorzieningen voor de volleybalpalen er nodig zijn. En de gewenste locatie van plafond-units, heeft invloed op de plek van de verlichting in de zaal. Daarom is het belangrijk om Nijha als inrichter al te betrekken in de fase waarin de architect het voorlopig ontwerp maakt. Dan kun je aanpassingen nog eenvoudig doorvoeren. Met de technische tekeningen van de inrichter, kan een constructeur tijdig het benodigde staalwerk doorrekenen. Als het definitief ontwerp klaar is, zijn wijzigingen tijdrovend en kostbaar en werken ze verstorend op het inrichtingsproces.
Tip 4: maak een inrichtingsplan
Als je jouw ambitieniveau hebt bepaald, kun je al snel een grove inrichtingswens en materialenlijst gymzaal opstellen. Dat hoeft niet per se tot op detailniveau – dat kun je ook later doen. Als het maar duidelijk is wie er gebruikmaken van de zaal en wat de primaire wensen van de gebruikers zijn. Als jij bijvoorbeeld weet dat er wedstrijdvolleybal op een bepaald niveau gespeeld gaat worden, op een specifiek aantal velden: dan kan weet Nijha – of een andere inrichter – hoeveel palen, grondpotten en netten je daarvoor nodig hebt. Hetzelfde geldt voor een gymzaal bank, dikke mat gymzaal of kast gymzaal. Weten welke gymtoestellen je moet kopen is dus belangrijk, maar welk gymzaal materiaal je precies kiest, kun je ook later beslissen.
Tip 5: laat inrichters hun visie en offerte toelichten
Vaak worden offertes na binnenkomst besproken en vergeleken in een projectgroep van de opdrachtgever. Op basis daarvan maakt de opdrachtgever een keuze voor een inrichter. Omdat de aanbiedingen tekstueel en inhoudelijk verschillen, is het voor niet-ingewijden vaak lastig de onderlinge verschillen goed te duiden. Ook wordt uit een offerte lang niet altijd duidelijk vanuit welke visie de inrichter bepaalde keuzen maakt. Ons advies: laat aanbieders hun voorstel toelichten, zodat duidelijk wordt waarom welke keuzen gemaakt zijn. Je krijgt veel kwalitatieve informatie, op basis waarvan je vervolgens een gedegen keuze maakt.
Hoe maak je een punchballon dicht
De punchballon is gemaakt van stevig latex en kan in de meeste gevallen vaker gebruikt worden. Veel gebruikers knopen de ballon na het opblazen dicht. En dat is jammer omdat de knoop vaak lastig los te krijgen is. Door de stop van de ballon op te rollen en in de ballon te stoppen is meermalig gebruik veel eenvoudiger. Hoe het werkt:
- Pak de stop bij het uiteinde en rol deze op tot de verdikking
- Draai de opgerolde stop verticaal en druk deze in de verdikking
- Druk de opgerolde stop in de ballon. Deze gaat nu dwars staan en sluit de opening af
Na gebruik kan de stop weer uit de ballon gehaald worden waarna deze weer leegloopt.

Niet opblazen maar pompen
Als de ballon opgeblazen wordt, komt er vocht in de ballon. Bij het opbergen van de lege ballon, plakt de binnenkant aan elkaar. De kans is groot dat deze dan bij een volgende keer opblazen knapt. Beter is om de ballon op te pompen met een dubbel werkende pomp. Dat gaat ook nog eens sneller dan opblazen.
Ballonhoes biedt extra bescherming
Wordt de ballon ingezet bij spelactiviteiten als bouncebal, dan kan het wenselijk zijn om de ballon extra te beschermen of om da ballon iets steviger te maken waardoor deze zicht meer als een bal gedraagt. Dat maakt het spel wat sneller dan dat de ballon zonder hoes gebruikt wordt. Bovendien stuit de ballon goed als deze voorzien is van een hoes. Het werkt simpel: druk de ballon door de opening in de ballonhoes waarbij de stop uit de hoes steekt. Pomp de ballon op totdat de hoes strak staat. Rol de stop op en stop deze tussen de hoes en de ballon. Zo blijft de lucht goed in de ballon. Er zijn 2 maten hoezen:
- Hoes met een diameter van 24 cm - Maakt de ballon sneller
- Hoes met een diameter van 33 cm - Laat de ballon langer zweven
Lesmethodes bewegingsonderwijs in de gymzaal
Er zijn diverse werkboeken en methoden beschikbaar voor het bewegingsonderwijs. Die kunnen je helpen bij de planning van de lessen. Als je bijvoorbeeld geen uitgewerkt vakwerkplan bewegingsonderwijs hebt, kan één van onderstaande methoden uitkomst bieden. Zonder uitputtend te zijn, volgt hieronder een overzicht voor het basis-, voortgezet en speciaal onderwijs.
Bewegen Samen Regelen
- Voor elke groep dezelfde lesopbouw.
- De kinderen werken zelfstandig met behulp van leskaarten.
- Voldoende leertijd en herhaling.
- Bestel hier de methode Bewegen Samen Regelen.
Basisdocument bewegingsonderwijs
- De 12 leerlijnen rond overeenkomstige bewegingsproblemen.
- Naast de methodische / didactische aspecten van de diverse leerlijnen, beschrijft deze methode ook de tussendoelen voor de verschillende leeftijdsgroepen.
- Bestel hier het Basisdocument bewegingsonderwijs.
Methode Basislessen bewegingsonderwijs 2
- Voor elke groep zijn 21 basislessen beschreven bestaande uit tik-, jagerbal-, trefbal-, lijn-, doel- en stoeispelen.
- Uitgangspunt bij de basislessen is het spelen in kleine groepen. Elk kind krijgt zodoende de mogelijkheid alle aspecten van het spel te doorleven: aanvallen en verdedigen, tikker zijn en 'af' zijn, winnen en verliezen, enzovoort.
- Bestel hier de methode Basislessen bewegingsonderwijs 2
De lesbrieven
- Een praktisch vakwerkplan voor bewegingsonderwijs aan groep 3 tot en met 8.
- De losbladige methode is samengesteld op basis van de twaalf leerlijnen.
- Bestel hier de Lesbrieven vakwerkplan BO 3 t/m 8.
Basisdocument bewegingsonderwijs ZML
- 12 leerlijnen uitgewerkt in 29 bewegingsthema’s.
- Speciale aandacht voor leerlingen met geringe bewegingsmogelijkheden en leerlingen in een rolstoel.
- Bestel hier het Basisdocument bewegingsonderwijs ZML
Lessenplan Online
- Praktische methode die zich naast de traditionele technische lijn, onderscheidt door nieuwe beweegvormen en differentieel leren.
- Sterke focus op het visuele, veel ondersteunend videomateriaal.
- Naast een lesmethode rond 13 leerlijnen bevat deze methode een uitgebreide spellendatabase, waaruit zelf honderden extra spellen kunnen worden ingevoegd.
- Bestel hier de Basis Lesmethode of Kleutergym van Lessenplan
Boek Basisdocument VO
- Een compleet beweegprogramma voor de onderbouw van het VO.
- De 22 leer- en ontwikkellijnen komen aan bod met duidelijke link naar de praktijk.
- De leerlijnen zijn geordend naar vier sleutels in de bewegingscultuur: bewegen beleven, bewegen verbeteren, bewegen regelen en gezond bewegen.
- In aantal extra thema’s worden populaire beweegvormen uitgediept, zoals golf, klimmen, mountainbiken en skaten.
- Bestel hier het Boek Basisdocument VO.
Lesmethode speciaal onderwijs
- Praktijkmap met 62 verschillende bewegingslessen die u direct in de klas of in de groep kunt gebruiken.
- De spelletjes zijn bedoeld voor leerlingen met een verstandelijke en/of lichamelijke beperking, maar ook goed bruikbaar bij kinderen met gedragsproblematiek.
- Deze map is ook een inspiratiebron voor reguliere kinderen op school. Het eigen lichaam 'leren kennen' en het lichaam als positief ervaren staan centraal.
- Bestel hier de methode Bewegingslessen voor kinderen met een beperking.
Onderhoudstips sport- en spelmateriaal
Dat materialen slijten, is een goed teken! Dat geeft namelijk aan dat er veel gebruikt van wordt gemaakt. Veel slijtages zijn te voorkomen of te herstellen. Hieronder tips over:
- Het repareren van een scheur in een skippybal;
- Het repareren van scheuren in een mat of leerdek;
- Het goed vastmaken van een ballonbal om geen lucht te verliezen.
Scheur in skippybal repareren
Bij skippyballen op harde ondergronden kan er zomaar een lek ontstaan als de bal op een scherp voorwerp komt. Door de luchtdruk in bal blijft het vaak niet bij een klein gaatje maar is het al snel een scheur. Als dit niet te groot is, dan kan die gerepareerd worden met Tear-Aid type B.
Oersterk
De gebruikte transparante folie is oersterk. De plek van de reparatie wordt dus geen zwakke plek. Omdat het folie dun en transparant is, valt het nauwelijks op en doet het geen afbreuk aan de gebruikseigenschappen.
Snel gebruiksklaar
Tear Aid is niet alleen sterk en rekbaar maar ook nog eens snel aan te brengen:
- Ontvet de ondergrond met het meegeleverde alcoholdoekje;
- Even laten drogen en reparatiepatch aanbrengen;
- Goed aandrukken en klaar;
- De bal is direct gebruiksklaar en heeft na 24 uur 100% hechting.
Twee soorten Tear Aid
- Type A is geschikt voor alle producten met uitzondering van PVC. Denk aan scheuren in luchtbedden, canvas matten, leerdek van springkast of zadel van eenwieler.
- Type B is voor vinyl producten zoals skippyballen, vinyl matten, springkussens, Gymnic ballen en trampolineranden.

Scheur in mat of leerdek repareren
Door veelvuldig gebruik of door aanraking met een scherp voorwerp kan er een scheur ontstaan in een canvas mathoes of een springkastdek. Om te voorkomen dat een klein gaatje een grote scheur wordt, is het raadzaam deze snel te behandelen. Als de scheur of het gat niet te groot is, dan kan die gerepareerd worden met Tear-Aid type A.
Snel gebruiksklaar
Tear Aid is niet alleen sterk en rekbaar maar ook nog eens snel aan te brengen:
- Ontvet de ondergrond met het meegeleverde alcoholdoekje
- Even laten drogen en reparatiepatch aanbrengen
- Goed aandrukken en klaar
- De mat of het leerdek is direct gebruiksklaar en heeft na 24 uur 100% hechting

Ballonbal verliest lucht door klein gaatje
De ballonbal wordt opgepompt met een dubbelwerkende pomp of opgeblazen via een rietje, daarna wordt er een stop in gedrukt. Als de bal direct na het opblazen of oppompen al lucht verliest kan dat 2 oorzaken hebben:
Er ontsnapt lucht bij het ventiel
Als de stop vaak in en uit de bal gaat, dan kan de ventielopening wat ruimer worden waardoor er langzaam lucht ontsnapt uit de opgepompte bal. Of dit het probleem is kun je snel zien als je wat water op het ventiel druppelt. Plakband als oplossing. Plakband is glad waardoor de stop nog steeds goed in de bal te drukken is. Gebruik geen (sport)tape, dat is te ruw en zal opstropen als de stop in de bal gedrukt wordt.
- Haal de stop uit de bal en doe plakband om het bovenste deel van de stop.
- Begin met 1 laag, als dat niet voldoende is, breng dan nog een volgende laag aan, net zolang tot er geen lucht meer ontsnapt.
Er zit een gaatje in de bal
- Houd de opgepompte bal onder water, aan de luchtbellen kun je zien waar het lek zit;
- Markeer de plek met een pen of stift;
- Maak de bal goed droog;
- Doe een heel klein beetje lucht in de bal (dit voorkomt dat bij het plakken de lijm ook plakt aan het tegenoverliggende materiaal);
- Doe een druppel PVC lijm op het gaat en laat het drogen.
Deze oplossing werkt alleen bij kleine gaatjes en soms is het nodig de procedure een paar keer te herhalen. Als een gat te groot is, kan Tear- Aid een oplossing zijn. Zie hiervoor het Tear Aid blog.
Plakband en lijm voor meer ballen een handige oplossing.
Naast de ballonbal kunnen bovenstaande oplossingen ook toegepast worden op de volgende ballen:
De plakband oplossing werkt wel bij onderstaande ballen, het lijmen van een gaatje niet.
Hoe betrek je inwoners bij het inrichten van een beweegplek?
Je hebt altijd al actieve buurtbewoners gehad, maar de laatste jaren is de dialoog tussen gemeenten en inwoners echt goed op gang gekomen. Inwoners nemen steeds vaker zélf het initiatief voor lokale beweegprojecten. Beleid wordt niet meer op afstand gemaakt, maar de gemeente trekt actief de wijk in om samen met inwoners en lokale partners aan de slag te gaan. Wij geven intensieve begeleiding aan die trajecten. We delen onze ervaringen en tips.
Betrek mensen vanaf het begin
‘Als je betrokken mensen wilt: dan moet je ze betrekken!’ Dat klinkt logisch, maar soms zie je dat een gemeente ergens toestellen plaatst die vervolgens nauwelijks gebruikt worden. Je moet buurtbewoners, scholen, zorginstellingen en andere partijen vanaf het begin betrekken. Ten eerste weet je dan beter aan wélk soort materialen behoefte is. Maar je leert ook waar in de wijk je de materialen het beste kunt plaatsen en aan welke programmering behoefte is. Het mooie is: mensen die vanaf het begin betrokken zijn, tonen ook meer verantwoordelijkheid voor het gebruik en onderhoud.
Verandering komt uit vele hoeken
De motivatie om de openbare ruimte beweegvriendelijk in te richten kan uit verschillende hoeken komen. Inwoners geven aan meer groen of speelplekken in de buurt te willen. Wijk- of dorpsraden hebben onderzoek gedaan naar de leefbaarheid van de buurt. De gemeente gaat aan de slag met een omgevingsvisie. Het sociale wijkteam merkt op dat oudere inwoners vereenzamen. Het speelbeleid wordt herzien. Of vanuit het verenigingsleven ontstaat de behoefte om een multifunctionele sportaccommodatie te ontwikkelen.
Projectteam mét buurtbewoners
Een openbare ruimte die uitdaagt tot bewegen ontwikkel je niet alleen: betrek in de eerste plaats de inwoners die in de buurt wonen. En denk ook aan sportverenigingen en scholen: ook zij hebben een visie op beweegaanbod voor hun leden en leerlingen. Het bundelen van ervaringen en ideeën leidt vaak tot verrassende nieuwe inzichten. Tot slot is ons advies: vraag ook diverse afdelingen van de gemeente aan tafel. Daarmee los je issues rondom bijvoorbeeld gemeentegrond,verkeersveiligheid en beheer snel op.
De wijkscan
Om een goed plan te maken heb je input nodig uit de buurt. Zoek altijd naar een combinatie van feiten en beleving. Om een goed startpunt te hebben voor de feiten, doen we vaak een wijkscan samen met het projectteam. Daarmee verzamel je informatie over de inwoners: bijvoorbeeld aantal inwoners, leeftijdscategorie, eenzaamheid, enzovoorts. Maar ook informatie over dewijk: soort bebouwing, hoeveelheid groen en beschikbare sportaccommodaties.
Creatieve werkvormen
Naast de feiten, gaan we ook op zoek naar beleving en ervaringen. Dat doen we door verschillende creatieve werkvormen in te zetten. Denk aan een enquête uitzetten, met kinderen op ‘safari’ gaan in de wijk of buurt, of een bewonersavond organiseren. Je kunt met kinderen ook hun ‘droomwijk’ bouwen.
In het Valeriuskwartier in Leeuwarden organiseerden we bijvoorbeeld een wijksafari waarin we samen met kinderen - en later met hun ouders - een wandeling door de wijk maakten. De kinderen konden precies aangeven welke routes zij gebruiken, waar ze graag spelen en ook hoe ze spelen. Dat leverde ook voor de gemeente nieuwe inzichten op. De wijk had een grote speelvoorziening, maar wat bleek: kinderen mochten daar niet zelfstandig naartoe vanwege een gevaarlijke oversteek. Zonde, want zo werden de speeltoestellen niet goed gebruikt.

Kansen en prioriteiten
Om inwoners stap voor stap mee te nemen, helpt het als je visuele middelen hebt. Wij werken met kansenkaarten. Hierin laten we alle uitdagingen en mogelijkheden in de wijk zien. Samen met inwoners vergelijk je deze kaart met hun behoeftes, ambities en natuurlijk ook met het beschikbare budget. Een ontwerper maakt het vervolgens nog concreter, door een conceptplan te maken. Hierin krijgen alle gewenste functies (bewegen, spelen, groen, ontmoeten, educatie, cultuur) en activiteiten een plek. Dit presenteren we graag aan de hele buurt, tijdens een leuk event met sportieve activiteiten. Zo kan iedereen feedback geven.
Blijvend effect
Onze jarenlange ervaring in de buurten, wijken en op de schoolpleinen van Nederland heeft ons geleerd: met alleen fysieke maatregelen creëer je geen blijvende beweging. Kijkniet alleen naar fysieke maatregelen, maar ook naar het activiteiten aanbod en de programmering, om mensen daadwerkelijk te activeren. Ook daarbij kun je inwoners vragen waar zij behoefte aan hebben. In Delfzijl ontwikkelden we bijvoorbeeld een beweegtuin, waarbij meteen een beweegcoach werd aangesteld. Die wandelt geregeld binnen bij de dagbesteding voor ouderen die een steuntje in de rug nodig hebben, met de vraag: ‘Wie heeft er zin om even mee te gaan bewegen?’.
