Zoeken
Artikelen
Welk type basketbalinstallatie past bij jouw sporthal?
Voldoen aan de norm
In de eerste plaats geldt dat alle sportinstallaties moeten voldoen aan spelregels en normen zoals die zijn vastgesteld door de commissie binnensportaccommodatie van NOC*NSF. Die regels schrijven bijvoorbeeld voor dat er voldoende uitloopruimte moet zijn rondom het speelveld. Ook zijn er bijvoorbeeld normen voor de ruimte tussen het bord en de toren. Deze regels zorgen ervoor dat met name de verrijdbare basketbaltorens vaak enorme constructies worden. Dat is nodig, om de toren tijdens wedstrijden in balans te houden. De torens hebben namelijk een zwaar contragewicht om de krachten van een dunkende speler die aan de ring hangt op te vangen.
Afweging 1: ambitieniveau
Als jouw vereniging op internationaal niveau speelt is de keuze eenvoudig: in dat geval is een verplaatsbare wedstrijdtoren verplicht. Speelt de vereniging in jouw hal niet op dat niveau en heeft de vereniging ook die ambitie niet, dan zijn er een aantal alternatieven. Je kunt kiezen voor een verplaatsbare toren met een kleinere afstand tussen het bord en de toren, voor een plafondinstallatie, of zelfs voor een installatie op de muur.
Afweging 2: bouwkundige voorzieningen
Afhankelijk van jouw keuze moeten bouwkundige voorzieningen aangebracht worden in de sporthal. Voor een plafondinstallatie moet de staalconstructie van de hal wellicht versterkt worden. Of als de vrije zaalhoogte beperkt is, moet er een koof (uitbouw) komen, waarin de installatie in ingeklapte stand weggewerkt wordt. Die koof garandeert de obstakelvrije hoogte tijdens het uitoefenen van ándere sporten in de hal. Voor een verrijdbare basketbaltoren heb je een grondvoorziening nodig, waaraan de toren verankerd wordt.
Afweging 3: de berging
De verrijdbare basketbaltoren is omvangrijk en vraagt veel bergruimte. Eén wedstrijdtoren vraagt een bergruimte van (b x h x d) 184 x 194 x 487 cm. Zeker in hallen waarin veel verenigingen sporten, is de toestelberging vaak overvol. Deze torens vormen dan enorme obstakels. Als jouw hal een kleine toestelberging heeft, kan een plafondinstallatie dus een goed alternatief zijn.
Afweging 4: ergonomie
Vanuit ergonomisch perspectief geniet een plafondinstallatie de voorkeur. Met behulp van een eenvoudig bedieningspaneel aan de wand, kun je met een druk op de knop alles in- en uitklappen. De verrijdbare wedstrijdtorens zijn overigens bedieningsvriendelijk gemaakt, om ze eenvoudig door de zaal te kunnen rijden.
Tot slot
De keuze voor een basketbaltoren of een plafondinstallatie is dus van meerdere factoren afhankelijk. Goed om te weten is dat beide varianten uit het assortiment van Nijha voldoen aan de gestelde normen.
Tips van de sportiefste scholen voor meer bewegen op de middelbare school
Zoek je inspiratie om de leerlingen op jouw school voor voortgezet (speciaal) onderwijs meer te laten bewegen? De vijf sportiefste scholen van Nederland delen hun visie, aanpak en tips.
Elk jaar organiseert de KVLO de verkiezing voor de Sportiefste School van Nederland. Vijf scholen worden genomineerd om hun buitengewoon goede of innovatieve sport- en beweegaanbod voor hun leerlingen. Voordat we de beste ideeën per school delen, laten we zien wat zij gemeen hebben in visie en aanpak.
Tip 1: een sterke visie
Alle scholen pakken het anders aan, maar hebben toch één ding gemeen: een sterke visie op sport en bewegen. Deze scholen ‘ademen’ bewegen. Niet alleen zijn hun basisgymlessen kwalitatief goed, ze organiseren ook veel extra aanbod - zelfs in de pauzes. De vaksectie trekt meestal de kar, maar wat deze scholen typeert is dat ook directie en andere docenten meer bewegen omarmen. Niet alleen voor de lol van meer uren sport, maar vanuit de visie dat veel bewegen goed is voor de héle ontwikkeling van een kind. Door meer uren fysiek actief te zijn, bouwen deze scholen doelbewust aan zelfvertrouwen, leerprestaties en motorische vaardigheden.
Tip 2: voor álle leerlingen
Op deze scholen is het extra beweegaanbod niet alleen voor de talentjes en hoog gemotiveerden. Alle leerlingen worden op hun eigen niveau gestimuleerd. Leerlingen die minder sportmined zijn, krijgen extra begeleiding bij hun motorische ontwikkeling. Leerlingen die sport niet van huis uit meekregen, krijgen een kans om hun talent te laten zien. En leerlingen in het speciaal onderwijs krijgen zélf de regie op wat zij kunnen. Met een inclusieve aanpak til je je beweegbeleid naar een hoger niveau dan alléén een sportklas.
Tip 3: gewoon DOEN
Tot slot zijn de winnaars echte doeners. Zij wachten niet af, maar stellen zelf een plan op. Ze maken daarin duidelijk wat de voordelen voor de héle school zijn en hoe álle leerlingen ervan profiteren. En ze begonnen klein, zodat bewegen steeds meer in het dna van alle collega’s komt. Maar de tip is vooral: begin gewoon!
Het Calandlyceum, Amsterdam
Deze Daltonschool voor vmbo tot en met gymnasium in het diverse Amsterdam-West heeft als slogan ‘Ontdek wat jij kunt bereiken’. De school biedt alle leerlingen kansen en brengt hen in aanraking met wat ze niet kennen. In de visie van het Calandlyceum is een gezonde leerling, een leerling die kan leren. Het gaat hier niet alleen om cognitief leren, maar ook om welzijn. Daarom zet de school niet krampachtig in op leerachterstanden wegwerken na corona. Maar investeert ze juist in leerlingen laten bewegen om ze weer goed in hun vel te krijgen. Op veel scholen zie je alleen de brugklassen nog bewegen in de pauzes, maar op het Calandlyceum gaat dat door tot en met het eindexamen.
- Alle leerlingen krijgen 4 uur gymles per week. En extra sportactiviteiten in de Daltonuren.
- Om de extra beweeglessen inclusiever te maken, start in 2021 de Sportacademy. Daar zijn ook leerlingen welkom die van thuis uit sporten niet meekregen, of waar geen geld is om lid te worden van een club. Zij maken kennis met verschillende sporten om te kijken waar hun talent ligt. En ze krijgen attitudelessen over doorzettingsvermogen en discipline.
- Vanuit de sportklassen is nauw contact met lokale sportverenigingen. En de school werkt samen met het naschoolse Topscore programma van de gemeente. Daar krijgen leerlingen voor wie sport niet vanzelfsprekend is, extra aandacht en leuke sportactiviteiten.
Onderwijscentrum De Twijn, Zwolle
Deze cluster 3 school heeft een sterk gevarieerde groep leerlingen, qua beperkingen, iq en motorische vaardigheden. Het doel van De Twijn is de leerlingen voorbereiden op een betekenisvolle plek in de samenleving. De leerlingen krijgen een beweegaanbod op maat, waarbij de school gelooft dat je groeit door succes te ervaren.
- De Twijn werkt ‘groepsdoorbroken’. Leerlingen uit dezelfde klas gymmen niet met elkaar, maar worden ingedeeld bij leerlingen met vergelijkbare vaardigheden. Er is een groep lopers, een groep elektrische rolstoelers en een groep handbewogen rolstoelers. Het aanbod wordt aangepast op de mogelijkheden van de groep.
- De leerlingen krijgen regie over hun eigen succes. Is een oefening te moeilijk? Dan bedenken ze zelf hoe ze hem kunnen aanpassen, zodat het wel lukt. De vakdocent geeft de autonomie om het zelf op te lossen en succes te ervaren.
- De Twijn werkt nauw samen met Special Heroes Nederland. Zij begeleiden leerlingen naar naschoolse sport bij een vereniging.
Basisinventarislijst gymzalen
Met deze lijst is het eenvoudig te zien welke toestellen en sport- en spelmaterialen er aanwezig moeten zijn in de zaal.
In 2000 heeft de KVLO de eerste basisinventarislijst voor het primair onderwijs ontwikkeld als opvolger van de LONDO lijst. In de afgelopen jaren is er veel veranderd in het bewegingsonderwijs, zowel op het gebied van lesorganisatie als op het vlak van inrichting en zaalafmetingen.
Als vervolg is er in maart 2018 een totaal vernieuwde nieuwe basisinventarislijst verschenen.
Uitgangspunten in 2000
De Basisinventarislijst is ontwikkeld op basis van de volgende uitgangspunten:
- de inventarislijst biedt voor elke visie op bewegen en vanuit de belangrijkste methoden mogelijkheden een gymzaal goed in te richten.
- de inventarislijst is toekomstgericht en zowel toepasbaar in huidige zalen (12 x 21 m) als in grotere afmetingen (14 x 22 m).
- de inventarislijst biedt ruimte om les te geven in 3 of 4 groepen, maar ook klassikaal of in stroomvorm.
Kortom: een breed toepasbare basisinventarislijst voor elke lesgever, gemeente of schoolbestuur.
Keuzevrijheid per zaal
Vroeger was er sprake van een standaardinrichting voor elke zaal voor het primair onderwijs. Tegenwoordig wordt de inrichting meer en meer bepaald door het vakwerkplan bewegingsonderwijs of de door de school gebruikte methode. Dat betekent maatwerk. Daarom zijn er in de inventarislijst diverse stelposten opgenomen. Zo kan voor de ene zaal een keuze gemaakt worden voor 2 landingsmatten terwijl in een andere zaal er extra kleine matten aangeschaft worden binnen het bedrag van de stelpost. De basisinventarislijst geeft dus een financieel kader. De inhoudelijke onderbouwing bepaalt de specifieke materiaalinvulling.
Meer materiaal nodig
Klassen worden steeds groter. Om kinderen zoveel mogelijk te laten bewegen, wordt er daarom veel in 3 of 4 groepen (vakken) gewerkt. Dat vraagt een andere en intensievere inzet van sportinventaris. Voorbeeld: bij een klassikale opstelling voldeden 6 kleine turnmatten maar bij het werken in groepen kom je al snel tekort, omdat er in 2 vakken matten nodig zijn. In de inventarislijst is er rekening gehouden met de huidige behoeftes aan materialen.
Hoe omgaan met nieuwe inventaris
In bestaande accommodaties tegenaan dat er onvoldoende inventaris is om optimaal uitvoering te geven aan het vakwerkplan. Er is te weinig materiaal om goed les te kunnen geven in 3 of 4 vakken. Dit gaat ten koste van de kwaliteit en/of bewegingsintensiteit tijdens de lessen. Een oplossing is om op basis van de lijst een inventarisatie te maken welke materialen ontbreken. De lijst geeft richtbedragen die prima gebruikt kunnen worden in een begroting. Zo is de lijst ook een prima hulpmiddel om een bestaande accommodatie op te waarderen.
Afschrijftermijnen
Om inventaris tijdig te kunnen vervangen, is inzicht in de levensduur belangrijk. In de basisinventarislijst zijn daarom ook gemiddelde afschrijftermijnen opgenomen en de daaraan gekoppelde jaarlijks te reserveren bedragen. Uiteraard blijft het belangrijk om deze gemiddelde termijnen te relateren aan uw specifieke situatie. Soms is het nodig een afschrijftermijn aan te passen als een toestel erg intensief gebruikt wordt.
Basisinventarislijst biedt kansen
Vakleerkrachten hebben een grote bijdrage geleverd aan de basisinventarislijst. Zo vertegenwoordigt de lijst een brede doelgroep die dagelijks gebruik maakt van de sportinventaris. Door ook nieuwe ontwikkelingen op te nemen en een grotere keuzevrijheid in te bouwen, biedt deze lijst alle kansen om accommodaties toekomstgericht in te richten.
5 tips inrichting sporthal
Tip 1: leg het ambitieniveau vast
De centrale vraag is: hoe en door wie wordt jouw accommodatie de komende jaren gebruikt? Als je dit helder hebt, kun je veel nauwkeuriger bepalen welke inrichting je nodig hebt. Kijk daarbij bij voorkeur ook 10 tot 15 jaar vooruit. Stel je zelf de volgende vragen: Blijft het onderwijsgebruik gelijk? Verwachten we nieuwe sporten en verenigingen in de accommodatie? Hoe ziet de exploitatie er nu uit en welke (extra) verhuurkansen liggen er in de nabije toekomst? Welke materiaalbehoefte hoort daarbij? De keuze die je nú maakt voor de plek van vaste sporttoestellen, hijsunits voor ringen en touwen, klimrekken en van volleybalpotten – bepalen immers voor de komende 15 tot 20 jaar hoe er in jouw sporthal gesport wordt.
Tip 2: de basisinventarislijst is géén goede basis voor een offerte
De KVLO (vakvereniging van vakleerkrachten LO) heeft basisinventarislijsten gemaakt voor onderwijsgebruik door primair onderwijs en voortgezet onderwijs. Vaak verwijzen de eigenaren van een sporthal naar deze lijsten, als basis voor een offerte. Onze ervaring leert dat dit een enorme variatie in offertes oplevert, omdat deze inventarislijsten ervan uitgaan dat scholen keuzes maken uit de geboden opties. Door de lijst klakkeloos op te sturen, gaat een inrichter die keuzen maken. Het is beter om dit zelf te doen, door samen met gebruikers een inrichtingsplan op te stellen. Dat levert uiteindelijk een wensenlijst op, die als uitgangspunt dient voor het opvragen van offertes. Zo kun je de offertes van verschillende inrichters veel beter met elkaar vergelijken. En als er op toestelniveau vernieuwingen zijn, dan geeft Nijha dit als alternatief weer.
Tip 3: betrek de gekozen inrichter al vroeg bij het project
De keuze voor een bepaalde sporttechnische inrichting, heeft consequenties voor bouwkundige voorzieningen. Het aantal gewenste volleybalvelden bepaalt bijvoorbeeld hoeveel grondvoorzieningen voor de volleybalpalen er nodig zijn. En de gewenste locatie van plafond-units, heeft invloed op de plek van de verlichting in de zaal. Daarom is het belangrijk om Nijha als inrichter al te betrekken in de fase waarin de architect het voorlopig ontwerp maakt. Dan kun je aanpassingen nog eenvoudig doorvoeren. Met de technische tekeningen van de inrichter, kan een constructeur tijdig het benodigde staalwerk doorrekenen. Als het definitief ontwerp klaar is, zijn wijzigingen tijdrovend en kostbaar en werken ze verstorend op het inrichtingsproces.
Tip 4: maak een inrichtingsplan
Als je jouw ambitieniveau hebt bepaald, kun je al snel een grove inrichtingswens en materialenlijst gymzaal opstellen. Dat hoeft niet per se tot op detailniveau – dat kun je ook later doen. Als het maar duidelijk is wie er gebruikmaken van de zaal en wat de primaire wensen van de gebruikers zijn. Als jij bijvoorbeeld weet dat er wedstrijdvolleybal op een bepaald niveau gespeeld gaat worden, op een specifiek aantal velden: dan kan weet Nijha – of een andere inrichter – hoeveel palen, grondpotten en netten je daarvoor nodig hebt. Hetzelfde geldt voor een gymzaal bank, dikke mat gymzaal of kast gymzaal. Weten welke gymtoestellen je moet kopen is dus belangrijk, maar welk gymzaal materiaal je precies kiest, kun je ook later beslissen.
Tip 5: laat inrichters hun visie en offerte toelichten
Vaak worden offertes na binnenkomst besproken en vergeleken in een projectgroep van de opdrachtgever. Op basis daarvan maakt de opdrachtgever een keuze voor een inrichter. Omdat de aanbiedingen tekstueel en inhoudelijk verschillen, is het voor niet-ingewijden vaak lastig de onderlinge verschillen goed te duiden. Ook wordt uit een offerte lang niet altijd duidelijk vanuit welke visie de inrichter bepaalde keuzen maakt. Ons advies: laat aanbieders hun voorstel toelichten, zodat duidelijk wordt waarom welke keuzen gemaakt zijn. Je krijgt veel kwalitatieve informatie, op basis waarvan je vervolgens een gedegen keuze maakt.
Hoe maak je een punchballon dicht
De punchballon is gemaakt van stevig latex en kan in de meeste gevallen vaker gebruikt worden. Veel gebruikers knopen de ballon na het opblazen dicht. En dat is jammer omdat de knoop vaak lastig los te krijgen is. Door de stop van de ballon op te rollen en in de ballon te stoppen is meermalig gebruik veel eenvoudiger. Hoe het werkt:
- Pak de stop bij het uiteinde en rol deze op tot de verdikking
- Draai de opgerolde stop verticaal en druk deze in de verdikking
- Druk de opgerolde stop in de ballon. Deze gaat nu dwars staan en sluit de opening af
Na gebruik kan de stop weer uit de ballon gehaald worden waarna deze weer leegloopt.

Niet opblazen maar pompen
Als de ballon opgeblazen wordt, komt er vocht in de ballon. Bij het opbergen van de lege ballon, plakt de binnenkant aan elkaar. De kans is groot dat deze dan bij een volgende keer opblazen knapt. Beter is om de ballon op te pompen met een dubbel werkende pomp. Dat gaat ook nog eens sneller dan opblazen.
Ballonhoes biedt extra bescherming
Wordt de ballon ingezet bij spelactiviteiten als bouncebal, dan kan het wenselijk zijn om de ballon extra te beschermen of om da ballon iets steviger te maken waardoor deze zicht meer als een bal gedraagt. Dat maakt het spel wat sneller dan dat de ballon zonder hoes gebruikt wordt. Bovendien stuit de ballon goed als deze voorzien is van een hoes. Het werkt simpel: druk de ballon door de opening in de ballonhoes waarbij de stop uit de hoes steekt. Pomp de ballon op totdat de hoes strak staat. Rol de stop op en stop deze tussen de hoes en de ballon. Zo blijft de lucht goed in de ballon. Er zijn 2 maten hoezen:
- Hoes met een diameter van 24 cm - Maakt de ballon sneller
- Hoes met een diameter van 33 cm - Laat de ballon langer zweven
Veiligheid sportinventaris en inspectiemethodiek
Gebruikers zijn gebaat bij een veilige sportinventaris. Daarom is er een periodieke veiligheidsinspectie voor sportinventaris. Inspecterende bedrijven hanteren daarbij niet allemaal dezelfde systematiek, dat leidt soms tot discussie. Hoe komt dat en zijn er gevolgen voor de veiligheid?
Normen als basis voor de inspecties
Bij inspecties van sportinventaris worden relevante Europese normen als uitgangspunt genomen. Voor veel toestellen bestaan specifieke normen, waarin eisen staan voor veiligheid, constructie en gebruik. Als er geen specifieke norm beschikbaar is, wordt vaak de algemene norm NEN-EN 913 gebruikt.
Deze normen bevatten technische en veiligheidseisen die helpen beoordelen of een toestel veilig is ontworpen, geïnstalleerd en gebruikt kan worden.
In tegenstelling tot speeltoestellen, die onder het Warenwetbesluit attractie- en speeltoestellen vallen, zijn normen voor sportinventaris meestal niet wettelijk verplicht. Ze worden wel gezien als belangrijke richtlijn en kwaliteitsstandaard binnen de branche. Het volgen van een norm laat zien dat een toestel voldoet aan de huidige veiligheidsinzichten.
Inspecteurs gebruiken deze normen als hulpmiddel bij hun beoordeling, samen met praktijkervaring, gebruiksomstandigheden, onderhoud en slijtage. De uiteindelijke beoordeling is dus altijd een combinatie van normen en professionele inschatting.
Hoe ontstaan verschillen?
Inspectie systematiek
Verschillen in de uitkomsten van inspecties ontstaan door de interpretatie van de normen. Deze kunnen zwart/wit gehanteerd worden of toegepast vanuit het gebruik. In het laatste geval wordt, naast de veiligheid, nadrukkelijk gekeken of een product nog te repareren is.
Voorbeeld van een interpretatieverschil
Neem een springkast die op bepaalde punten afwijktvan de norm, maar in de praktijk geen direct veiligheidsrisico oplevert. Nijha beoordeelt zo’n kast vanuit het gebruik en kan deze goedkeuren. Wanneer de norm strikt wordt toegepast, kan een andere partij dit beoordelen als een ‘verhoogd risico’.
Wat te doen met verschillen in interpretatie?
De eigenaar van de sportinventaris is verantwoordelijk voor de veiligheid en staat van de toestellen. Met een periodieke inspectie laat je zien dat je veiligheid serieus neemt, zeker als je ook opvolging geeft aan de adviezen.
Wanneer adviezen gebaseerd zijn op een strikte interpretatie van de norm, kan dit leiden tot (snellere) vervanging. Het is aan de eigenaar om hierin een bewuste afweging te maken. Vraag de inspecterende partij altijd naar het daadwerkelijke risico voor de gebruiker als een advies niet wordt opgevolgd. Betrek hierbij ook het gebruik in de praktijk, zoals hoevaak en op welke manier toestellen worden gebruikt.
Een inspectie is een momentopname
Welke systematiek er ook gehanteerd wordt, na een inspectie ligt er een juiste weergave van de staat van de sportinventaris. Het betreft wel een momentopname. Een dag na de inspectie kan een toestel bij gebruik een defect oplopen. Veiligheid van sportinventaris vraagt dus dagelijks aandacht en is niet af te dekken met alleen het afsluiten van een inspectieovereenkomst.
Conclusie
Bedrijven hanteren hun eigen inspectiemethodiek, met als uitgangspunt eenv eilige sportinventaris. Het strikt toepassen van normen of het beoordelen op basis van gebruik en risico’s kan leiden tot verschillen in uitkomsten. Dit is geen fout, maar het gevolg van een professionele risico-inschatting.
De eigenaar van de sportinventaris blijft verantwoordelijk en maakt uiteindelijk de afweging welke adviezen worden opgevolgd. Bij twijfel kan altijd een second opinion worden aangevraagd.
Subsidies en fondsen voor bewegen in de ouderenzorg
Professionals in de zorg zitten vaak vol goede ideeën om ouderen nog beter te helpen vitaal te blijven. Wat in veel gevallen mist, is budget om die ideeën ook werkelijkheid te laten worden. In Nederland zijn er allerlei fondsen en subsidieregelingen die zorgorganisaties hierbij op financieel vlak kunnen ondersteunen. We zetten een aantal mogelijkheden op een rij.
Wie zoekt naar externe financiering voor een project, ziet vaak door de bomen het bos niet meer in het land van subsidies en fondsen. Ieder fonds heeft zijn eigen eisen en criteria om tot een succesvolle aanvraag te komen. Daarbij speelt ook de locatie van je zorgorganisatie nog een rol; er zijn namelijk landelijke fondsen, maar ook fondsen die oog hebben voor het welzijn van ouderen in een specifieke regio.
De oplossing van Nijha
We helpen je graag de weg in dit landschap te vinden. We hebben een database met alle actuele informatie over fondsen en subsidies. Hierin staan alle criteria overzichtelijk op een rij, zoals eisen voor het project, de doelgroep en de aanvrager. Ook kennen we de minder bekende regionale en lokale fondsen en subsidies. Zo maken we in één keer duidelijk welke aanvraag voor jou de meeste kans van slagen heeft.
Fondsen
Uit het grote aantal beschikbare fondsen maakten we hieronder een kleine selectie van belangrijke fondsen als het gaat om activering van ouderen:
• Nationaal Ouderenfonds: Dit fonds ondersteunt projecten die eenzaamheid verminderen en ouderen helpen actief en sociaal betrokken te blijven.
• Fonds NutsOhra: Richt zich op kwetsbare groepen, met aandacht voor gezondheid, preventie en het vergroten van zelfredzaamheid.
• HandicapNL (vroeger Revalidatiefonds): Ondersteunt projecten die ervoor zorgen dat mensen met een beperking regie houden over hun eigen leven en mee kunnen doen in de samenleving
Het loont om ook in je directe omgeving te kijken, bijvoorbeeld via lokale bladen, gemeentelijke websites en online kanalen. Daar vind je vaak regionale en lokale fondsen waar je een aanvraag kunt doen.
Subsidies
• Gemeenten en provincies stellen tijdelijke subsidieregelingen open waar initiatieven uit de regio gebruik van kunnen maken. Deze regelingen zijn gekoppeld aan specifieke thema’s, zoals sport, gezondheid of leefbaarheid. Kijk hiervoor op de website van jouw gemeente of provincie. Ook de Europese Unie biedt verschillende subsidiemogelijkheden.
• Kenniscentrum Sport & Bewegen biedt een overzicht van actuele sportsubsidies via de database Sportsubsidie.
Subsidies en fondsen voor Urban Sports
Voor het aanleggen van een Urban Sportspark, een calisthenics plek, of een freerunning parcours bestaan verschillende fondsen en subsidies. Externe financiering – klein of groot – kan helpen om jouw project een duwtje in de rug te geven. We zetten een aantal mogelijkhedenop een rij.
Subsidies
Er zijn verschillende sportgerelateerde subsidieregelingen waar gemeenten en verenigingen een beroep op kunnen doen. Bijvoorbeeld voor (ver)bouwing of aanschaf van materiaal.
Kenniscentrum Sport biedt een overzicht van diverse sportsubsidies via de database Sportsubsidie.
Gemeenten en provincies stellen regelmatig tijdelijke subsidieregelingen open, waar initiatieven uit de regio een beroep op kunnen doen. Kijk hiervoor op de website van jouw gemeente of provincie. Ook de Europese Unie biedt diverse subsidies.
Omdat het best complex is om de juiste subsidie te vinden, kun je ook gebruikmaken van een subsidie- & adviesbureau. Zij zoeken dan uit hoe je aan een subsidie komt en als vergoeding willen zij een klein deel van de subsidie. Dit kost je niets wanneer het niet lukt (no cure,no pay).
Lokale sportakkoorden
In veel gemeenten is een lokaal sportakkoord opgesteld als onderdeel van het landelijke Sportakkoord II (2023–2026). Hierin maken verschillende partijen, zoals sportverenigingen, gemeenten en andere organisaties, afspraken om sport en bewegen te stimuleren.
Als er in jouw gemeente een sportakkoord is, kun je subsidie aanvragen voor een initiatief dat past bij de doelen van dit akkoord. Dit budget wordt door de gemeente verdeeld en komt voort uit de landelijke regeling Brede SPUK (Specifieke Uitkering). De hoogte van het budget verschilt per gemeente en is onder andere afhankelijk van het inwoneraantal. Bekijk hoe het werkt.
Fondsen en goede doelen
Fondsen zoals het Oranje Fonds, Jantje Beton en de Johan Cruyff Foundation bieden mogelijkheden voor financiële ondersteuning van maatschappelijke en sportgerichte projecten. Het is daarom waardevol om deze fondsen te benaderen voor aanvullende financiering. Hierbij is het belangrijk dat het initiatief aansluit bij de doelstellingen van het fonds en dat er een duidelijke aanvraag wordt ingediend.
Sponsoring
Door bedrijven iets aan te bieden, zoals een reclamebord bij het park of een workshop voor werknemers, kun je hen interesseren om (een deel van) het project te sponsoren. In ruil voor hun bijdrage krijgen zij bijvoorbeeld zichtbaarheid of een tegenprestatie die past bij hun organisatie.
Belanghebbenden
Belanghebbenden in de buurt, zoals scholen en sportscholen, kunnen ideale mede-gebruikers zijn van een sport- of beweegplek. Het is belangrijk om duidelijk te maken waarom deze plek een aanwinst is. Ga vervolgens samen in gesprek om te kijken op welke manier zij kunnen bijdragen, bijvoorbeeld in gebruik, organisatie of ondersteuning.
Banken
Banken ondersteunen regelmatig lokale initiatieven, onder andere op het gebied van sport en bewegen. Via het Coöperatiefonds kunnen verenigingen en organisaties financiële steun aanvragen voor maatschappelijke projecten in de buurt. Het kan daarom interessant zijn om een aanvraag te doen en duidelijk te maken wat jouw project oplevert voor de omgeving. Per regio kunnen de voorwaarden en mogelijkheden verschillen.
Crowdfunding
Door middel van een goede crowdfundingcampagne kun je veel geld binnenhalen. Het is belangrijk dat je een sterke campagne met goede ideeën opzet als je ervoor wil zorgen dat het kans van slagen heeft. Crowdfundingplatforms zoals www.voorjebuurt.nl zijn voor zulke initiatieven een goede keus.
Subsidies en fondsen voor bewegen in de openbare ruimte
Voor het aanleggen van een beweegplek in de openbare ruimte bestaan verschillende fondsen en subsidies. Externe financiering – klein of groot – kan helpen om jouw project een duwtje in de rug te geven. We zetten een aantal mogelijkheden op een rij.
Subsidies
Er zijn verschillende sportgerelateerde subsidieregelingen waar gemeenten en verenigingen een beroep op kunnen doen. Bijvoorbeeld voor (ver)bouwing of aanschaf van materiaal.
Kenniscentrum Sport biedt een overzicht van diverse sportsubsidies via de database Sportsubsidie.
Gemeenten en provincies stellen regelmatig tijdelijke subsidieregelingen open, waar initiatieven uit de regio een beroep op kunnen doen. Kijk hiervoor op de website van jouw gemeente of provincie. Ook de Europese Unie biedt diverse subsidies.
Omdat het best complex is om de juiste subsidie te vinden, kun je ook gebruikmaken van een subsidie- & adviesbureau. Zij zoeken dan uit hoe je aan een subsidie komt en als vergoeding willen zij een klein deel van de subsidie. Dit kost je niets wanneer het niet lukt (no cure,no pay).
Lokale sportakkoorden
In veel gemeenten is een lokaal sportakkoord opgesteld als onderdeel van het landelijke Sportakkoord II (2023–2026). Hierin maken verschillende partijen, zoals sportverenigingen, gemeenten en andere organisaties, afspraken om sport en bewegen te stimuleren.
Als er in jouw gemeente een sportakkoord is, kun je subsidie aanvragen voor een initiatief dat past bij de doelen van dit akkoord. Dit budget wordt door de gemeente verdeeld en komt voort uit de landelijke regeling Brede SPUK (Specifieke Uitkering). De hoogte van het budget verschilt per gemeente en is onder andere afhankelijk van het inwoneraantal. Bekijk hoe het werkt.
Fondsen en goede doelen
Fondsen zoals het Oranje Fonds, Jantje Beton en de Johan Cruyff Foundation bieden mogelijkheden voor financiële ondersteuning van maatschappelijke en sportgerichte projecten. Het is daarom waardevol om deze fondsen te benaderen voor aanvullende financiering. Hierbij is het belangrijk dat het initiatief aansluit bij de doelstellingen van het fonds en dat er een duidelijke aanvraag wordt ingediend.
Sponsoring
Door bedrijven iets aan te bieden, zoals een reclamebord bij het park of een workshop voor werknemers, kun je hen interesseren om (een deel van) het project te sponsoren. In ruil voor hun bijdrage krijgen zij bijvoorbeeld zichtbaarheid of een tegenprestatie die past bij hun organisatie.
Belanghebbenden
Belanghebbenden in de buurt, zoals scholen en sportscholen, kunnen ideale mede-gebruikers zijn van een sport- of beweegplek. Het is belangrijk om duidelijk te maken waarom deze plek een aanwinst is. Ga vervolgens samen in gesprek om te kijken op welke manier zij kunnen bijdragen, bijvoorbeeld in gebruik, organisatie of ondersteuning.
Banken
Banken ondersteunen regelmatig lokale initiatieven, onder andere op het gebied van sport en bewegen. Via het Coöperatiefonds kunnen verenigingen en organisaties financiële steun aanvragen voor maatschappelijke projecten in de buurt. Het kan daarom interessant zijn om een aanvraag te doen en duidelijk te maken wat jouw project oplevert voor de omgeving. Per regio kunnen de voorwaarden en mogelijkheden verschillen.
Crowdfunding
Door middel van een goede crowdfundingcampagne kun je veel geld binnenhalen. Het is belangrijk dat je een sterke campagne met goede ideeën opzet als je ervoor wil zorgen dat het kans van slagen heeft. Crowdfundingplatforms zoals www.voorjebuurt.nl zijn voor zulke initiatieven een goede keus.
Hoe groot moet het speelplein zijn?
Het ministerie van OC&W hanteerde tot 1997 het ‘Wenkenblad’ uit 1986 met een overzicht van de geldende normen in het basisonderwijs. Het speelplein heette toen nog ‘speelgebied’ en daarvoor gold het volgende: ‘Het speelgebied bestaat uit een verhard en een onverhard gedeelte in de verhouding 2 : 1, waarbij het verharde deel een oppervlakte heeft van tenminste 300m².’
Tegenwoordig zijn de eisen beperkt tot 3m² buitenruimte per leerling met een minimum van 300m². Voor scholen groter dan 200 leerlingen volstaat 600m² buitenruimte. Als er sprake is van een brede school met kinderdagverblijf en naschoolse opvang dan wordt een afgesloten en ‘op de leeftijd van de kinderen passend ingerichte buitenspeelruimte’ gevraagd. Ook daarvoor geldt een minimaal oppervlak van 3m² bruto oppervlakte speelruimte per aanwezig kind.
Minder ruimte
Het klopt dus dat bij de meeste nieuwe scholen de speelpleinen kleiner zijn dan bij scholen van voor 1997. Zeker als de ruimtenorm strak gehanteerd wordt. Maar er mag in positieve zin afgeweken worden van de norm. Een gemeente of schoolbestuur kan ervoor kiezen een plein groter te maken dan het minimum van 300m². Dat vraagt wel om goede argumenten.
Argumenten voor een groter plein
Veel kinderen op een kleine ruimte die in korte tijd hun energie kwijt moeten, is vragen om problemen. Bij een gemiddeld schoolplein van 300m² is dat al snel het geval. Zeker als het om een smal plein gaat dat om de school heen ligt levert dat al snel conflicten op en gedoe over activiteiten die elkaar in de weg zitten. Als een plein ook geschikt moet zijn voor sportactiviteiten, buitengym of als het plein ingezet wordt voor naschoolse activiteiten, kan dat argumenten opleveren voor meer ruimte. Daarbij speelt ook nog dat in het kader van gezondheid, obesitas en het belang van bewegen op scholen het plein een steeds belangrijker rol krijgt.
Bouwbesluit biedt veel vrijheid
Voor wat betreft de inrichting van het speelplein worden geen specifieke eisen gesteld. Het Bouwbesluit geeft slechts eisen rond de bereikbaarheid en toegankelijkheid (voor bijv. hulpdiensten). Dat betekent dat de school zelf veel kan beslissen, zowel over de verhouding tussen verhard en onverhard terrein als over de inrichting. Die vrijheid biedt veel kansen maar vraagt wel om een helder beeld welke functie het plein krijgt. Niet in de laatste plaats omdat bij nieuwbouw een architect soms gebouwkeuzes voorstelt die consequenties hebben voor de locatie en het gebruik van het speelplein.
Richtlijnen buitenruimte kinderdagverblijf en BSO
Als er wordt gekeken naar de richtlijnen voor een buitenruimte van een kinderopvang of BSO gelden er andere regels. Welke eisen zijn er en aan buitenruimtes? En waar moet je opletten bij het ontwerpen en inrichten?
De Wet Kinderopvang schrijft voor dat er per kind minimaal 3m² buitenruimte beschikbaar moet zijn. Voor BSO kinderen is dit echter te weinig. Uit onderzoek blijkt dat 8m² buitenruimte per BSO-kind voldoende ruimte geeft om te bewegen.
Buiten zijn is goed voor kinderen. En helemaal als ze dan ook nog in beweging zijn. De buitenruimte bij de opvang vraagt dus niet alleen om een bepaalde afmeting, maar moet ook uitdagen tot bewegen. Het plein moet geschikt zijn voor naschoolse activiteiten en het leeftijdsverschil tussen kinderen die op één plein spelen is veel groter dan op een schoolplein. Deze en andere facetten vragen om een andere inrichting van het plein bij een kinderopvang/bso.
