Zoeken
Artikelen
Hoe maak je een punchballon dicht
De punchballon is gemaakt van stevig latex en kan in de meeste gevallen vaker gebruikt worden. Veel gebruikers knopen de ballon na het opblazen dicht. En dat is jammer omdat de knoop vaak lastig los te krijgen is. Door de stop van de ballon op te rollen en in de ballon te stoppen is meermalig gebruik veel eenvoudiger. Hoe het werkt:
- Pak de stop bij het uiteinde en rol deze op tot de verdikking
- Draai de opgerolde stop verticaal en druk deze in de verdikking
- Druk de opgerolde stop in de ballon. Deze gaat nu dwars staan en sluit de opening af
Na gebruik kan de stop weer uit de ballon gehaald worden waarna deze weer leegloopt.

Niet opblazen maar pompen
Als de ballon opgeblazen wordt, komt er vocht in de ballon. Bij het opbergen van de lege ballon, plakt de binnenkant aan elkaar. De kans is groot dat deze dan bij een volgende keer opblazen knapt. Beter is om de ballon op te pompen met een dubbel werkende pomp. Dat gaat ook nog eens sneller dan opblazen.
Ballonhoes biedt extra bescherming
Wordt de ballon ingezet bij spelactiviteiten als bouncebal, dan kan het wenselijk zijn om de ballon extra te beschermen of om da ballon iets steviger te maken waardoor deze zicht meer als een bal gedraagt. Dat maakt het spel wat sneller dan dat de ballon zonder hoes gebruikt wordt. Bovendien stuit de ballon goed als deze voorzien is van een hoes. Het werkt simpel: druk de ballon door de opening in de ballonhoes waarbij de stop uit de hoes steekt. Pomp de ballon op totdat de hoes strak staat. Rol de stop op en stop deze tussen de hoes en de ballon. Zo blijft de lucht goed in de ballon. Er zijn 2 maten hoezen:
- Hoes met een diameter van 24 cm - Maakt de ballon sneller
- Hoes met een diameter van 33 cm - Laat de ballon langer zweven
Veiligheid sportinventaris en inspectiemethodiek
Gebruikers zijn gebaat bij een veilige sportinventaris. Daarom is er een periodieke veiligheidsinspectie voor sportinventaris. Inspecterende bedrijven hanteren daarbij niet allemaal dezelfde systematiek, dat leidt soms tot discussie. Hoe komt dat en zijn er gevolgen voor de veiligheid?
Normen als basis voor de inspecties
Bij inspecties van sportinventaris worden relevante Europese normen als uitgangspunt genomen. Voor veel toestellen bestaan specifieke normen, waarin eisen staan voor veiligheid, constructie en gebruik. Als er geen specifieke norm beschikbaar is, wordt vaak de algemene norm NEN-EN 913 gebruikt.
Deze normen bevatten technische en veiligheidseisen die helpen beoordelen of een toestel veilig is ontworpen, geïnstalleerd en gebruikt kan worden.
In tegenstelling tot speeltoestellen, die onder het Warenwetbesluit attractie- en speeltoestellen vallen, zijn normen voor sportinventaris meestal niet wettelijk verplicht. Ze worden wel gezien als belangrijke richtlijn en kwaliteitsstandaard binnen de branche. Het volgen van een norm laat zien dat een toestel voldoet aan de huidige veiligheidsinzichten.
Inspecteurs gebruiken deze normen als hulpmiddel bij hun beoordeling, samen met praktijkervaring, gebruiksomstandigheden, onderhoud en slijtage. De uiteindelijke beoordeling is dus altijd een combinatie van normen en professionele inschatting.
Hoe ontstaan verschillen?
Inspectie systematiek
Verschillen in de uitkomsten van inspecties ontstaan door de interpretatie van de normen. Deze kunnen zwart/wit gehanteerd worden of toegepast vanuit het gebruik. In het laatste geval wordt, naast de veiligheid, nadrukkelijk gekeken of een product nog te repareren is.
Voorbeeld van een interpretatieverschil
Neem een springkast die op bepaalde punten afwijktvan de norm, maar in de praktijk geen direct veiligheidsrisico oplevert. Nijha beoordeelt zo’n kast vanuit het gebruik en kan deze goedkeuren. Wanneer de norm strikt wordt toegepast, kan een andere partij dit beoordelen als een ‘verhoogd risico’.
Wat te doen met verschillen in interpretatie?
De eigenaar van de sportinventaris is verantwoordelijk voor de veiligheid en staat van de toestellen. Met een periodieke inspectie laat je zien dat je veiligheid serieus neemt, zeker als je ook opvolging geeft aan de adviezen.
Wanneer adviezen gebaseerd zijn op een strikte interpretatie van de norm, kan dit leiden tot (snellere) vervanging. Het is aan de eigenaar om hierin een bewuste afweging te maken. Vraag de inspecterende partij altijd naar het daadwerkelijke risico voor de gebruiker als een advies niet wordt opgevolgd. Betrek hierbij ook het gebruik in de praktijk, zoals hoevaak en op welke manier toestellen worden gebruikt.
Een inspectie is een momentopname
Welke systematiek er ook gehanteerd wordt, na een inspectie ligt er een juiste weergave van de staat van de sportinventaris. Het betreft wel een momentopname. Een dag na de inspectie kan een toestel bij gebruik een defect oplopen. Veiligheid van sportinventaris vraagt dus dagelijks aandacht en is niet af te dekken met alleen het afsluiten van een inspectieovereenkomst.
Conclusie
Bedrijven hanteren hun eigen inspectiemethodiek, met als uitgangspunt eenv eilige sportinventaris. Het strikt toepassen van normen of het beoordelen op basis van gebruik en risico’s kan leiden tot verschillen in uitkomsten. Dit is geen fout, maar het gevolg van een professionele risico-inschatting.
De eigenaar van de sportinventaris blijft verantwoordelijk en maakt uiteindelijk de afweging welke adviezen worden opgevolgd. Bij twijfel kan altijd een second opinion worden aangevraagd.
Subsidies en fondsen voor bewegen in de ouderenzorg
Professionals in de zorg zitten vaak vol goede ideeën om ouderen nog beter te helpen vitaal te blijven. Wat in veel gevallen mist, is budget om die ideeën ook werkelijkheid te laten worden. In Nederland zijn er allerlei fondsen en subsidieregelingen die zorgorganisaties hierbij op financieel vlak kunnen ondersteunen. We zetten een aantal mogelijkheden op een rij.
Wie zoekt naar externe financiering voor een project, ziet vaak door de bomen het bos niet meer in het land van subsidies en fondsen. Ieder fonds heeft zijn eigen eisen en criteria om tot een succesvolle aanvraag te komen. Daarbij speelt ook de locatie van je zorgorganisatie nog een rol; er zijn namelijk landelijke fondsen, maar ook fondsen die oog hebben voor het welzijn van ouderen in een specifieke regio.
De oplossing van Nijha
We helpen je graag de weg in dit landschap te vinden. We hebben een database met alle actuele informatie over fondsen en subsidies. Hierin staan alle criteria overzichtelijk op een rij, zoals eisen voor het project, de doelgroep en de aanvrager. Ook kennen we de minder bekende regionale en lokale fondsen en subsidies. Zo maken we in één keer duidelijk welke aanvraag voor jou de meeste kans van slagen heeft.
Fondsen
Uit het grote aantal beschikbare fondsen maakten we hieronder een kleine selectie van belangrijke fondsen als het gaat om activering van ouderen:
• Nationaal Ouderenfonds: Dit fonds ondersteunt projecten die eenzaamheid verminderen en ouderen helpen actief en sociaal betrokken te blijven.
• Fonds NutsOhra: Richt zich op kwetsbare groepen, met aandacht voor gezondheid, preventie en het vergroten van zelfredzaamheid.
• HandicapNL (vroeger Revalidatiefonds): Ondersteunt projecten die ervoor zorgen dat mensen met een beperking regie houden over hun eigen leven en mee kunnen doen in de samenleving
Het loont om ook in je directe omgeving te kijken, bijvoorbeeld via lokale bladen, gemeentelijke websites en online kanalen. Daar vind je vaak regionale en lokale fondsen waar je een aanvraag kunt doen.
Subsidies
• Gemeenten en provincies stellen tijdelijke subsidieregelingen open waar initiatieven uit de regio gebruik van kunnen maken. Deze regelingen zijn gekoppeld aan specifieke thema’s, zoals sport, gezondheid of leefbaarheid. Kijk hiervoor op de website van jouw gemeente of provincie. Ook de Europese Unie biedt verschillende subsidiemogelijkheden.
• Kenniscentrum Sport & Bewegen biedt een overzicht van actuele sportsubsidies via de database Sportsubsidie.
Subsidies en fondsen voor Urban Sports
Voor het aanleggen van een Urban Sportspark, een calisthenics plek, of een freerunning parcours bestaan verschillende fondsen en subsidies. Externe financiering – klein of groot – kan helpen om jouw project een duwtje in de rug te geven. We zetten een aantal mogelijkhedenop een rij.
Subsidies
Er zijn verschillende sportgerelateerde subsidieregelingen waar gemeenten en verenigingen een beroep op kunnen doen. Bijvoorbeeld voor (ver)bouwing of aanschaf van materiaal.
Kenniscentrum Sport biedt een overzicht van diverse sportsubsidies via de database Sportsubsidie.
Gemeenten en provincies stellen regelmatig tijdelijke subsidieregelingen open, waar initiatieven uit de regio een beroep op kunnen doen. Kijk hiervoor op de website van jouw gemeente of provincie. Ook de Europese Unie biedt diverse subsidies.
Omdat het best complex is om de juiste subsidie te vinden, kun je ook gebruikmaken van een subsidie- & adviesbureau. Zij zoeken dan uit hoe je aan een subsidie komt en als vergoeding willen zij een klein deel van de subsidie. Dit kost je niets wanneer het niet lukt (no cure,no pay).
Lokale sportakkoorden
In veel gemeenten is een lokaal sportakkoord opgesteld als onderdeel van het landelijke Sportakkoord II (2023–2026). Hierin maken verschillende partijen, zoals sportverenigingen, gemeenten en andere organisaties, afspraken om sport en bewegen te stimuleren.
Als er in jouw gemeente een sportakkoord is, kun je subsidie aanvragen voor een initiatief dat past bij de doelen van dit akkoord. Dit budget wordt door de gemeente verdeeld en komt voort uit de landelijke regeling Brede SPUK (Specifieke Uitkering). De hoogte van het budget verschilt per gemeente en is onder andere afhankelijk van het inwoneraantal. Bekijk hoe het werkt.
Fondsen en goede doelen
Fondsen zoals het Oranje Fonds, Jantje Beton en de Johan Cruyff Foundation bieden mogelijkheden voor financiële ondersteuning van maatschappelijke en sportgerichte projecten. Het is daarom waardevol om deze fondsen te benaderen voor aanvullende financiering. Hierbij is het belangrijk dat het initiatief aansluit bij de doelstellingen van het fonds en dat er een duidelijke aanvraag wordt ingediend.
Sponsoring
Door bedrijven iets aan te bieden, zoals een reclamebord bij het park of een workshop voor werknemers, kun je hen interesseren om (een deel van) het project te sponsoren. In ruil voor hun bijdrage krijgen zij bijvoorbeeld zichtbaarheid of een tegenprestatie die past bij hun organisatie.
Belanghebbenden
Belanghebbenden in de buurt, zoals scholen en sportscholen, kunnen ideale mede-gebruikers zijn van een sport- of beweegplek. Het is belangrijk om duidelijk te maken waarom deze plek een aanwinst is. Ga vervolgens samen in gesprek om te kijken op welke manier zij kunnen bijdragen, bijvoorbeeld in gebruik, organisatie of ondersteuning.
Banken
Banken ondersteunen regelmatig lokale initiatieven, onder andere op het gebied van sport en bewegen. Via het Coöperatiefonds kunnen verenigingen en organisaties financiële steun aanvragen voor maatschappelijke projecten in de buurt. Het kan daarom interessant zijn om een aanvraag te doen en duidelijk te maken wat jouw project oplevert voor de omgeving. Per regio kunnen de voorwaarden en mogelijkheden verschillen.
Crowdfunding
Door middel van een goede crowdfundingcampagne kun je veel geld binnenhalen. Het is belangrijk dat je een sterke campagne met goede ideeën opzet als je ervoor wil zorgen dat het kans van slagen heeft. Crowdfundingplatforms zoals www.voorjebuurt.nl zijn voor zulke initiatieven een goede keus.
Subsidies en fondsen voor bewegen in de openbare ruimte
Voor het aanleggen van een beweegplek in de openbare ruimte bestaan verschillende fondsen en subsidies. Externe financiering – klein of groot – kan helpen om jouw project een duwtje in de rug te geven. We zetten een aantal mogelijkheden op een rij.
Subsidies
Er zijn verschillende sportgerelateerde subsidieregelingen waar gemeenten en verenigingen een beroep op kunnen doen. Bijvoorbeeld voor (ver)bouwing of aanschaf van materiaal.
Kenniscentrum Sport biedt een overzicht van diverse sportsubsidies via de database Sportsubsidie.
Gemeenten en provincies stellen regelmatig tijdelijke subsidieregelingen open, waar initiatieven uit de regio een beroep op kunnen doen. Kijk hiervoor op de website van jouw gemeente of provincie. Ook de Europese Unie biedt diverse subsidies.
Omdat het best complex is om de juiste subsidie te vinden, kun je ook gebruikmaken van een subsidie- & adviesbureau. Zij zoeken dan uit hoe je aan een subsidie komt en als vergoeding willen zij een klein deel van de subsidie. Dit kost je niets wanneer het niet lukt (no cure,no pay).
Lokale sportakkoorden
In veel gemeenten is een lokaal sportakkoord opgesteld als onderdeel van het landelijke Sportakkoord II (2023–2026). Hierin maken verschillende partijen, zoals sportverenigingen, gemeenten en andere organisaties, afspraken om sport en bewegen te stimuleren.
Als er in jouw gemeente een sportakkoord is, kun je subsidie aanvragen voor een initiatief dat past bij de doelen van dit akkoord. Dit budget wordt door de gemeente verdeeld en komt voort uit de landelijke regeling Brede SPUK (Specifieke Uitkering). De hoogte van het budget verschilt per gemeente en is onder andere afhankelijk van het inwoneraantal. Bekijk hoe het werkt.
Fondsen en goede doelen
Fondsen zoals het Oranje Fonds, Jantje Beton en de Johan Cruyff Foundation bieden mogelijkheden voor financiële ondersteuning van maatschappelijke en sportgerichte projecten. Het is daarom waardevol om deze fondsen te benaderen voor aanvullende financiering. Hierbij is het belangrijk dat het initiatief aansluit bij de doelstellingen van het fonds en dat er een duidelijke aanvraag wordt ingediend.
Sponsoring
Door bedrijven iets aan te bieden, zoals een reclamebord bij het park of een workshop voor werknemers, kun je hen interesseren om (een deel van) het project te sponsoren. In ruil voor hun bijdrage krijgen zij bijvoorbeeld zichtbaarheid of een tegenprestatie die past bij hun organisatie.
Belanghebbenden
Belanghebbenden in de buurt, zoals scholen en sportscholen, kunnen ideale mede-gebruikers zijn van een sport- of beweegplek. Het is belangrijk om duidelijk te maken waarom deze plek een aanwinst is. Ga vervolgens samen in gesprek om te kijken op welke manier zij kunnen bijdragen, bijvoorbeeld in gebruik, organisatie of ondersteuning.
Banken
Banken ondersteunen regelmatig lokale initiatieven, onder andere op het gebied van sport en bewegen. Via het Coöperatiefonds kunnen verenigingen en organisaties financiële steun aanvragen voor maatschappelijke projecten in de buurt. Het kan daarom interessant zijn om een aanvraag te doen en duidelijk te maken wat jouw project oplevert voor de omgeving. Per regio kunnen de voorwaarden en mogelijkheden verschillen.
Crowdfunding
Door middel van een goede crowdfundingcampagne kun je veel geld binnenhalen. Het is belangrijk dat je een sterke campagne met goede ideeën opzet als je ervoor wil zorgen dat het kans van slagen heeft. Crowdfundingplatforms zoals www.voorjebuurt.nl zijn voor zulke initiatieven een goede keus.
Hoe groot moet het speelplein zijn?
Het ministerie van OC&W hanteerde tot 1997 het ‘Wenkenblad’ uit 1986 met een overzicht van de geldende normen in het basisonderwijs. Het speelplein heette toen nog ‘speelgebied’ en daarvoor gold het volgende: ‘Het speelgebied bestaat uit een verhard en een onverhard gedeelte in de verhouding 2 : 1, waarbij het verharde deel een oppervlakte heeft van tenminste 300m².’
Tegenwoordig zijn de eisen beperkt tot 3m² buitenruimte per leerling met een minimum van 300m². Voor scholen groter dan 200 leerlingen volstaat 600m² buitenruimte. Als er sprake is van een brede school met kinderdagverblijf en naschoolse opvang dan wordt een afgesloten en ‘op de leeftijd van de kinderen passend ingerichte buitenspeelruimte’ gevraagd. Ook daarvoor geldt een minimaal oppervlak van 3m² bruto oppervlakte speelruimte per aanwezig kind.
Minder ruimte
Het klopt dus dat bij de meeste nieuwe scholen de speelpleinen kleiner zijn dan bij scholen van voor 1997. Zeker als de ruimtenorm strak gehanteerd wordt. Maar er mag in positieve zin afgeweken worden van de norm. Een gemeente of schoolbestuur kan ervoor kiezen een plein groter te maken dan het minimum van 300m². Dat vraagt wel om goede argumenten.
Argumenten voor een groter plein
Veel kinderen op een kleine ruimte die in korte tijd hun energie kwijt moeten, is vragen om problemen. Bij een gemiddeld schoolplein van 300m² is dat al snel het geval. Zeker als het om een smal plein gaat dat om de school heen ligt levert dat al snel conflicten op en gedoe over activiteiten die elkaar in de weg zitten. Als een plein ook geschikt moet zijn voor sportactiviteiten, buitengym of als het plein ingezet wordt voor naschoolse activiteiten, kan dat argumenten opleveren voor meer ruimte. Daarbij speelt ook nog dat in het kader van gezondheid, obesitas en het belang van bewegen op scholen het plein een steeds belangrijker rol krijgt.
Bouwbesluit biedt veel vrijheid
Voor wat betreft de inrichting van het speelplein worden geen specifieke eisen gesteld. Het Bouwbesluit geeft slechts eisen rond de bereikbaarheid en toegankelijkheid (voor bijv. hulpdiensten). Dat betekent dat de school zelf veel kan beslissen, zowel over de verhouding tussen verhard en onverhard terrein als over de inrichting. Die vrijheid biedt veel kansen maar vraagt wel om een helder beeld welke functie het plein krijgt. Niet in de laatste plaats omdat bij nieuwbouw een architect soms gebouwkeuzes voorstelt die consequenties hebben voor de locatie en het gebruik van het speelplein.
Richtlijnen buitenruimte kinderdagverblijf en BSO
Als er wordt gekeken naar de richtlijnen voor een buitenruimte van een kinderopvang of BSO gelden er andere regels. Welke eisen zijn er en aan buitenruimtes? En waar moet je opletten bij het ontwerpen en inrichten?
De Wet Kinderopvang schrijft voor dat er per kind minimaal 3m² buitenruimte beschikbaar moet zijn. Voor BSO kinderen is dit echter te weinig. Uit onderzoek blijkt dat 8m² buitenruimte per BSO-kind voldoende ruimte geeft om te bewegen.
Buiten zijn is goed voor kinderen. En helemaal als ze dan ook nog in beweging zijn. De buitenruimte bij de opvang vraagt dus niet alleen om een bepaalde afmeting, maar moet ook uitdagen tot bewegen. Het plein moet geschikt zijn voor naschoolse activiteiten en het leeftijdsverschil tussen kinderen die op één plein spelen is veel groter dan op een schoolplein. Deze en andere facetten vragen om een andere inrichting van het plein bij een kinderopvang/bso.
De ideale trefbal
Wat de ideale trefbal is hangt af het soort trefbalspel, de spelersgroep en de ruimte waarin het spel gespeeld wordt. Kiezen voor 1 specifieke bal om altijd trefbal mee te spelen, is niet de beste oplossing. Het is beter om per situatie te bepalen welke bal het meest geschikt is. Hieronder een aantal tip om tot een afgewogen balkeuze te komen.
Basisonderwijs
De vaardigheid voor het werpen en vangen of afweren van een bal is nog beperkt in de middenbouw. Daarom wordt bij trefspelen eerder een keuze gemaakt voor jagerbal spelvormen dan voor trefbal. Bij trefballen in de bovenbouw kan het best gekozen worden voor zachte en lichte ballen omdat er nog wel eens ongecontroleerde worpen tussen zitten. Ballen met diameter tussen de 16 – 18 cm passen goed bij de vaardigheid. Geschikte ballen bovenbouw BO:
Beroepsonderwijs
Spelers zijn in staat (erg) hard te gooien maar gaan de uitdaging graag aan. Ze hebben het liefst een bal die goed vastpakt en niet.Geschikte ballen mbo/hbo:
Voortgezet onderwijs
In de onderbouw neemt de vaardigheid snel toe. Grote verschil met de bovenbouw van het basisonderwijs is dat de ballen wat groter kunnen zijn. In de bovenbouw neemt de kracht toe en wordt er, vooral door de jongens, harder gegooid.
Geschikte ballen onderbouw VO:
Geschikte ballen bovenbouw VO:
- Airball ø 18 cm
- Foambal ø 16 cm high bounce
- Foambal ø 21 cm medium bounce
- Dodgebal super soft
Deze bal kan bij hard gooien ‘dwarrelen’ wat een onvoorspelbaar effect in het spel brengt.

Speltype
Er zijn veel trefbalvormen. Hieronder een grove indeling met daarbij de meest geschikte ballen:
- Twee teams tegenover elkaar
Het is duidelijk wie de bal heeft, vrij voorspelbaar. Geschikte ballen zijn bijvoorbeeld de Butterflyball of foambal ø 21 cm. - Twee teams tegenover elkaar met vakken voor afgegooide spelers
Afgegooide spelers gaan in een vak achter en/of aan de zijkant van het veld van de tegenstander. Het spel is sneller en een bal kan uit onverwachte hoek komen. Geschikte ballen zijn o.a.de Super safe contactball en de Dodgebal junior. - Met of zonder afweren
Bij het ontwijken van ballen past een snelle bal, bij het afweren is een zachtere bal prettiger. Wel of niet overspelen/wel of niet lopen met de bal. Als er niet gelopen mag worden, dan moet de bal ook vanuit het achterveld te spelen zijn. Dat vraagt om een bal met wat meer gewicht of een wat kleiner formaat. Geschikte ballen zijn o.a. de Airball ø 18 cm en de Dodgebal Pro. - Een of meer ballen
Hoe meer ballen in het veld hoe zachter de ballen zouden moeten zijn. Spelers kunnen van dichtbij met een hard geworpen bal in aanraking komen. Geschikte ballen zijn o.a. de Super safe contactball en de Smoothball ø 21 cm.
Beschikbare ruimte
Hoe kleiner de ruimte, hoe zachter de bal. Omdat spelers vanaf korte afstand geraakt kunnen worden, is een zachte bal aan te bevelen. Door te kiezen voor een lichte bal, is de impact bij geraakt worden beperkt. Daarbij zal een hard gegooide luchtgevulde bal altijd harder overkomen (‘doorknellen’) dan een foambal. En hoe kleiner de bal, hoe harder ermee gegooid kan worden, dus voor een kleine ruimte is een lichte grote bal. Geschikte ballen kleine ruimte (bijv. 6 x 10 m (halve gymzaal)):
Geschikte ballen grote ruimte (bijv 12 x 21 m (hele gymzaal)):
Lesmethodes bewegingsonderwijs in de gymzaal
Er zijn diverse werkboeken en methoden beschikbaar voor het bewegingsonderwijs. Die kunnen je helpen bij de planning van de lessen. Als je bijvoorbeeld geen uitgewerkt vakwerkplan bewegingsonderwijs hebt, kan één van onderstaande methoden uitkomst bieden. Zonder uitputtend te zijn, volgt hieronder een overzicht voor het basis-, voortgezet en speciaal onderwijs.
Bewegen Samen Regelen
- Voor elke groep dezelfde lesopbouw.
- De kinderen werken zelfstandig met behulp van leskaarten.
- Voldoende leertijd en herhaling.
- Bestel hier de methode Bewegen Samen Regelen.
Basisdocument bewegingsonderwijs
- De 12 leerlijnen rond overeenkomstige bewegingsproblemen.
- Naast de methodische / didactische aspecten van de diverse leerlijnen, beschrijft deze methode ook de tussendoelen voor de verschillende leeftijdsgroepen.
- Bestel hier het Basisdocument bewegingsonderwijs.
Methode Basislessen bewegingsonderwijs 2
- Voor elke groep zijn 21 basislessen beschreven bestaande uit tik-, jagerbal-, trefbal-, lijn-, doel- en stoeispelen.
- Uitgangspunt bij de basislessen is het spelen in kleine groepen. Elk kind krijgt zodoende de mogelijkheid alle aspecten van het spel te doorleven: aanvallen en verdedigen, tikker zijn en 'af' zijn, winnen en verliezen, enzovoort.
- Bestel hier de methode Basislessen bewegingsonderwijs 2
De lesbrieven
- Een praktisch vakwerkplan voor bewegingsonderwijs aan groep 3 tot en met 8.
- De losbladige methode is samengesteld op basis van de twaalf leerlijnen.
- Bestel hier de Lesbrieven vakwerkplan BO 3 t/m 8.
Basisdocument bewegingsonderwijs ZML
- 12 leerlijnen uitgewerkt in 29 bewegingsthema’s.
- Speciale aandacht voor leerlingen met geringe bewegingsmogelijkheden en leerlingen in een rolstoel.
- Bestel hier het Basisdocument bewegingsonderwijs ZML
Lessenplan Online
- Praktische methode die zich naast de traditionele technische lijn, onderscheidt door nieuwe beweegvormen en differentieel leren.
- Sterke focus op het visuele, veel ondersteunend videomateriaal.
- Naast een lesmethode rond 13 leerlijnen bevat deze methode een uitgebreide spellendatabase, waaruit zelf honderden extra spellen kunnen worden ingevoegd.
- Bestel hier de Basis Lesmethode of Kleutergym van Lessenplan
Boek Basisdocument VO
- Een compleet beweegprogramma voor de onderbouw van het VO.
- De 22 leer- en ontwikkellijnen komen aan bod met duidelijke link naar de praktijk.
- De leerlijnen zijn geordend naar vier sleutels in de bewegingscultuur: bewegen beleven, bewegen verbeteren, bewegen regelen en gezond bewegen.
- In aantal extra thema’s worden populaire beweegvormen uitgediept, zoals golf, klimmen, mountainbiken en skaten.
- Bestel hier het Boek Basisdocument VO.
Lesmethode speciaal onderwijs
- Praktijkmap met 62 verschillende bewegingslessen die u direct in de klas of in de groep kunt gebruiken.
- De spelletjes zijn bedoeld voor leerlingen met een verstandelijke en/of lichamelijke beperking, maar ook goed bruikbaar bij kinderen met gedragsproblematiek.
- Deze map is ook een inspiratiebron voor reguliere kinderen op school. Het eigen lichaam 'leren kennen' en het lichaam als positief ervaren staan centraal.
- Bestel hier de methode Bewegingslessen voor kinderen met een beperking.
Hoe interpreteer je afschrijftermijnen?
Een vraag uit de praktijk: “Onze gymzalen worden intensief gebruikt door het onderwijs en in de meeste zalen zit ook avondgebruik. De onderwijsinrichting is gebaseerd op de basisinventarislijst van de KVLO en deze wordt jaarlijks geïnspecteerd. Nu zijn onze matten en minitramps afgekeurd, terwijl de afschrijftermijn - zoals die in de KVLO basisinventarislijst staat - nog niet verstreken is. Kan dat?”
Economische afschrijftermijn - reserveringen doen
Afschrijftermijnen in de basisinventarislijsten zijn gemiddelde afschrijftermijnen. Het is een economische afschrijftermijn die je als accommodatie kunt gebruiken om jaarlijks geld te reserveren voor het vervangen van toestellen. Stel: een turnbank heeft een afschrijftermijn van 15 jaar. Dan reserveer je jaarlijks 1/15 deel van het bedrag, zodat je over 15 jaar voldoende geld hebt om een nieuwe bank aan te schaffen. Helaas is het gebruik niet in alle zalen gelijk en dat kan verschil opleveren tussen de werkelijke levensduur van sportinventaris - en de gemiddelde afschrijftermijn.
Sporttechnische afschrijftermijn - de praktijk
Naast de economische afschrijftermijn, is het verstandig ook te kijken naar de sporttechnische afschrijftermijn. Deze termijn wordt vastgesteld op basis van het daadwerkelijke gebruik. Als een mat of minitramp zowel overdag door het onderwijs - als ’s avonds door een gymvereniging - veelvuldig gebruikt worden, dan treedt er eerder slijtage en dus afkeur op dan wanneer deze materialen slechts incidenteel worden ingezet. Dat kan betekenen dat een minitramp in de éne zaal een sporttechnische afschrijftermijn van 5 jaar heeft, terwijl in een andere zaal 10 jaar realistisch is.
Gevolgen van oneigenlijk gebruik
Niet alleen de gebruiksintensiteit bepaalt de werkelijke afschrijftermijn. Ook de manier waarop de sportinventaris wordt ingezet heeft invloed. In het bewegingsonderwijs worden springkasten niet alleen meer gebruikt om overheen te springen. Ze zijn ook onderdeel van een hindernisbaan, worden ingezet bij freerunning, er worden schuine vlakken op gebouwd en de losse delen worden gebruikt in een behendigheidsparcours. Dit gebruik leidt tot grotere slijtage en versnelde afschrijving, omdat springkasten hier niet voor gemaakt zijn. In dat geval is het niet alleen belangrijk de juiste sporttechnische afschrijftermijn te bepalen, maar ook om bij vervanging te zoeken naar producten die beter aansluiten op het huidige gebruik. Denk aan combiframes of Sport cubes.
Voorbereid op de toekomst
Om te voorkomen dat je jaarlijks geld te kort komt voor onderhoud en vervanging, is het dus verstandig om de werkelijke sporttechnische afschrijftermijnen van alle sportinventaris in beeld te hebben. Dat kan door het op (laten) stellen van een meerjarenbegroting per sportaccommodatie. Hiermee maak je niet alleen inzichtelijk hoe lang toestellen meegaan, maar ook welk budget je de komende jaren nodig hebt om toestellen op tijd te vervangen.
Veiligheidsnormen van speeltoestellen op het schoolplein
“Juf, er is een ongelukje gebeurd…” Ongelukjes zitten in een klein hoekje, zeker met spelende kinderen. Gelukkig blijft het meestal bij een pleister en een knuffel. En als school doe je er ook alles aan om erger te voorkomen. Voldoen aan alle veiligheidseisen voor de speeltoestellen op jouw schoolplein bijvoorbeeld. In dit artikel leggen we uit welke regels en wetten van toepassing zijn.
Warenwetbesluit
Sinds maart 1997 is het Warenwetbesluit veiligheid attractie- en speeltoestellen (Staatsbesluit 474) van toepassing. Hierin is vastgelegd dat speeltoestellen veilig geproduceerd en beheerd moeten worden. Het besluit is van toepassing op speeltoestellen die bestemd zijn voor publiek gebruik. Een school is verantwoordelijk voor het beheer van de speeltoestellen op het terrein van de school, tenzij je hierover andere afspraken hebt gemaakt met de gemeente. De school of de gemeente moet dus voldoen aan bovenstaande wet.
Wat vraagt deze wet dan precies van scholen? De volgende eisen staan in het Warenwetbesluit veiligheid attractie- en speeltoestellen:
- Speeltoestellen die na maart 1997 geproduceerd zijn, moeten goedgekeurd zijn en voorzien zijn van een typekeurcertificaat.
- Voor speeltoestellen die vóór maart 1997 geproduceerd zijn, geldt dat jij als beheerder moet aantonen dat de toestellen veilig zijn en veilig beheerd worden. alles moet doen om deze toestellen veilig te houden of veilig te maken.
- Per speeltoestel moet je een logboek bijhouden. Hierin moet worden bijgehouden op welke data inspecties, reparaties en eventuele ongelukken hebben plaatsgevonden. Hierin staan naast de toestelgegevens ook data waarop inspecties, reparaties en ongelukken plaatsgevonden hebben. Bij een ongeluk waaruit aansprakelijkstelling volgt, zal de verzekeringsmaatschappij altijd nagaan of jij als beheerder adequaat gehandeld hebt. Als blijkt dat je ‘aantoonbaar in gebreke bent gebleven’, dan kan de school ‘nalatigheid in handelen’ verweten worden.
Richtlijnen soorten inspecties
Oke, je moet dusvoldoen aan de wet. Maar welk soort inspecties moet je dan uitvoeren op de speeltoestellen op jouw schoolplein? Hieronder vind je de richtlijnen voor de verschillende soorten van inspecties volgens de Europese norm. De frequentie waarin alle inspecties plaatsvinden, is afhankelijk van de gebruiksintensiteit en de vervuilingsgraad.
Routinematige inspectie
- Visuele inspectie op gebroken of losgeraakte onderdelen, vervuiling van toestel of ondergrond en vandalisme.
- Frequentie: dagelijks tot wekelijks.
Functionele inspectie
- Meer gedetailleerde inspectie waarbij o.a. gekeken wordt naar verbindingen, stabiliteit, beschadiging aan toplagen, roestvorming en de dikte van het bodemmateriaal.
- Frequentie: maandelijks tot 1 keer per kwartaal.
Grote inspectie
- Toestellen worden in hun totaliteit aan een grondige inspectie onderworpen conform EN 1176 en EN 1177.
- Frequentie: 1 of 2 keer per jaar.
Verantwoordelijkheid
De routinematige en de functionele inspectie, ook wel de zichtinspecties genoemd, moet jij als beheerder regelmatig zelf uitvoeren. Je kijkt dan naar de bevestigingspunten, stabiliteit van de constructie, splinters bij houten delen, scherpe randen en uitstekende delen.
De uitgebreide (grote) inspectie op basis van de EN 1176 en EN 1177 moet door een professioneel bedrijf uitgevoerd worden. Om de veiligheid te garanderen kun je Nijha inschakelen voor jaarlijkse inspectie en onderhoud. Onze Nijha inspecteurs zijn allemaal gecertificeerd en inspecteren de toestellen nauwkeurig. Na afloop van de inspectie ontvang je als klant een inspectierapport. Daarin lees je de staat van het toestel en welk onderhoud en reparaties uitgevoerd moeten worden. De monteurs van Nijha bekijken alle toestellen heel grondig. Na afloop ontvang je als klant een inspectierapport. Daarin lees je de staat van het toestel en welk onderhoud en reparaties uitgevoerd moeten worden. Onze monteurs zijn allemaal gecertificeerd en ervaren. Naast inspecties voor de speeltoestellen, doet Nijha ook inspecties voor het speellokaal, de sportinventaris en outdoor- en urban sports.
