Zoeken
Artikelen
De ideale trefbal
Wat de ideale trefbal is hangt af het soort trefbalspel, de spelersgroep en de ruimte waarin het spel gespeeld wordt. Kiezen voor 1 specifieke bal om altijd trefbal mee te spelen, is niet de beste oplossing. Het is beter om per situatie te bepalen welke bal het meest geschikt is. Hieronder een aantal tip om tot een afgewogen balkeuze te komen.
Basisonderwijs
De vaardigheid voor het werpen en vangen of afweren van een bal is nog beperkt in de middenbouw. Daarom wordt bij trefspelen eerder een keuze gemaakt voor jagerbal spelvormen dan voor trefbal. Bij trefballen in de bovenbouw kan het best gekozen worden voor zachte en lichte ballen omdat er nog wel eens ongecontroleerde worpen tussen zitten. Ballen met diameter tussen de 16 – 18 cm passen goed bij de vaardigheid. Geschikte ballen bovenbouw BO:
Beroepsonderwijs
Spelers zijn in staat (erg) hard te gooien maar gaan de uitdaging graag aan. Ze hebben het liefst een bal die goed vastpakt en niet.Geschikte ballen mbo/hbo:
Voortgezet onderwijs
In de onderbouw neemt de vaardigheid snel toe. Grote verschil met de bovenbouw van het basisonderwijs is dat de ballen wat groter kunnen zijn. In de bovenbouw neemt de kracht toe en wordt er, vooral door de jongens, harder gegooid.
Geschikte ballen onderbouw VO:
Geschikte ballen bovenbouw VO:
- Airball ø 18 cm
- Foambal ø 16 cm high bounce
- Foambal ø 21 cm medium bounce
- Dodgebal super soft
Deze bal kan bij hard gooien ‘dwarrelen’ wat een onvoorspelbaar effect in het spel brengt.

Speltype
Er zijn veel trefbalvormen. Hieronder een grove indeling met daarbij de meest geschikte ballen:
- Twee teams tegenover elkaar
Het is duidelijk wie de bal heeft, vrij voorspelbaar. Geschikte ballen zijn bijvoorbeeld de Butterflyball of foambal ø 21 cm. - Twee teams tegenover elkaar met vakken voor afgegooide spelers
Afgegooide spelers gaan in een vak achter en/of aan de zijkant van het veld van de tegenstander. Het spel is sneller en een bal kan uit onverwachte hoek komen. Geschikte ballen zijn o.a.de Super safe contactball en de Dodgebal junior. - Met of zonder afweren
Bij het ontwijken van ballen past een snelle bal, bij het afweren is een zachtere bal prettiger. Wel of niet overspelen/wel of niet lopen met de bal. Als er niet gelopen mag worden, dan moet de bal ook vanuit het achterveld te spelen zijn. Dat vraagt om een bal met wat meer gewicht of een wat kleiner formaat. Geschikte ballen zijn o.a. de Airball ø 18 cm en de Dodgebal Pro. - Een of meer ballen
Hoe meer ballen in het veld hoe zachter de ballen zouden moeten zijn. Spelers kunnen van dichtbij met een hard geworpen bal in aanraking komen. Geschikte ballen zijn o.a. de Super safe contactball en de Smoothball ø 21 cm.
Beschikbare ruimte
Hoe kleiner de ruimte, hoe zachter de bal. Omdat spelers vanaf korte afstand geraakt kunnen worden, is een zachte bal aan te bevelen. Door te kiezen voor een lichte bal, is de impact bij geraakt worden beperkt. Daarbij zal een hard gegooide luchtgevulde bal altijd harder overkomen (‘doorknellen’) dan een foambal. En hoe kleiner de bal, hoe harder ermee gegooid kan worden, dus voor een kleine ruimte is een lichte grote bal. Geschikte ballen kleine ruimte (bijv. 6 x 10 m (halve gymzaal)):
Geschikte ballen grote ruimte (bijv 12 x 21 m (hele gymzaal)):
Lesmethodes bewegingsonderwijs in de gymzaal
Er zijn diverse werkboeken en methoden beschikbaar voor het bewegingsonderwijs. Die kunnen je helpen bij de planning van de lessen. Als je bijvoorbeeld geen uitgewerkt vakwerkplan bewegingsonderwijs hebt, kan één van onderstaande methoden uitkomst bieden. Zonder uitputtend te zijn, volgt hieronder een overzicht voor het basis-, voortgezet en speciaal onderwijs.
Bewegen Samen Regelen
- Voor elke groep dezelfde lesopbouw.
- De kinderen werken zelfstandig met behulp van leskaarten.
- Voldoende leertijd en herhaling.
- Bestel hier de methode Bewegen Samen Regelen.
Basisdocument bewegingsonderwijs
- De 12 leerlijnen rond overeenkomstige bewegingsproblemen.
- Naast de methodische / didactische aspecten van de diverse leerlijnen, beschrijft deze methode ook de tussendoelen voor de verschillende leeftijdsgroepen.
- Bestel hier het Basisdocument bewegingsonderwijs.
Methode Basislessen bewegingsonderwijs 2
- Voor elke groep zijn 21 basislessen beschreven bestaande uit tik-, jagerbal-, trefbal-, lijn-, doel- en stoeispelen.
- Uitgangspunt bij de basislessen is het spelen in kleine groepen. Elk kind krijgt zodoende de mogelijkheid alle aspecten van het spel te doorleven: aanvallen en verdedigen, tikker zijn en 'af' zijn, winnen en verliezen, enzovoort.
- Bestel hier de methode Basislessen bewegingsonderwijs 2
De lesbrieven
- Een praktisch vakwerkplan voor bewegingsonderwijs aan groep 3 tot en met 8.
- De losbladige methode is samengesteld op basis van de twaalf leerlijnen.
- Bestel hier de Lesbrieven vakwerkplan BO 3 t/m 8.
Basisdocument bewegingsonderwijs ZML
- 12 leerlijnen uitgewerkt in 29 bewegingsthema’s.
- Speciale aandacht voor leerlingen met geringe bewegingsmogelijkheden en leerlingen in een rolstoel.
- Bestel hier het Basisdocument bewegingsonderwijs ZML
Lessenplan Online
- Praktische methode die zich naast de traditionele technische lijn, onderscheidt door nieuwe beweegvormen en differentieel leren.
- Sterke focus op het visuele, veel ondersteunend videomateriaal.
- Naast een lesmethode rond 13 leerlijnen bevat deze methode een uitgebreide spellendatabase, waaruit zelf honderden extra spellen kunnen worden ingevoegd.
- Bestel hier de Basis Lesmethode of Kleutergym van Lessenplan
Boek Basisdocument VO
- Een compleet beweegprogramma voor de onderbouw van het VO.
- De 22 leer- en ontwikkellijnen komen aan bod met duidelijke link naar de praktijk.
- De leerlijnen zijn geordend naar vier sleutels in de bewegingscultuur: bewegen beleven, bewegen verbeteren, bewegen regelen en gezond bewegen.
- In aantal extra thema’s worden populaire beweegvormen uitgediept, zoals golf, klimmen, mountainbiken en skaten.
- Bestel hier het Boek Basisdocument VO.
Lesmethode speciaal onderwijs
- Praktijkmap met 62 verschillende bewegingslessen die u direct in de klas of in de groep kunt gebruiken.
- De spelletjes zijn bedoeld voor leerlingen met een verstandelijke en/of lichamelijke beperking, maar ook goed bruikbaar bij kinderen met gedragsproblematiek.
- Deze map is ook een inspiratiebron voor reguliere kinderen op school. Het eigen lichaam 'leren kennen' en het lichaam als positief ervaren staan centraal.
- Bestel hier de methode Bewegingslessen voor kinderen met een beperking.
Hoe interpreteer je afschrijftermijnen?
Een vraag uit de praktijk: “Onze gymzalen worden intensief gebruikt door het onderwijs en in de meeste zalen zit ook avondgebruik. De onderwijsinrichting is gebaseerd op de basisinventarislijst van de KVLO en deze wordt jaarlijks geïnspecteerd. Nu zijn onze matten en minitramps afgekeurd, terwijl de afschrijftermijn - zoals die in de KVLO basisinventarislijst staat - nog niet verstreken is. Kan dat?”
Economische afschrijftermijn - reserveringen doen
Afschrijftermijnen in de basisinventarislijsten zijn gemiddelde afschrijftermijnen. Het is een economische afschrijftermijn die je als accommodatie kunt gebruiken om jaarlijks geld te reserveren voor het vervangen van toestellen. Stel: een turnbank heeft een afschrijftermijn van 15 jaar. Dan reserveer je jaarlijks 1/15 deel van het bedrag, zodat je over 15 jaar voldoende geld hebt om een nieuwe bank aan te schaffen. Helaas is het gebruik niet in alle zalen gelijk en dat kan verschil opleveren tussen de werkelijke levensduur van sportinventaris - en de gemiddelde afschrijftermijn.
Sporttechnische afschrijftermijn - de praktijk
Naast de economische afschrijftermijn, is het verstandig ook te kijken naar de sporttechnische afschrijftermijn. Deze termijn wordt vastgesteld op basis van het daadwerkelijke gebruik. Als een mat of minitramp zowel overdag door het onderwijs - als ’s avonds door een gymvereniging - veelvuldig gebruikt worden, dan treedt er eerder slijtage en dus afkeur op dan wanneer deze materialen slechts incidenteel worden ingezet. Dat kan betekenen dat een minitramp in de éne zaal een sporttechnische afschrijftermijn van 5 jaar heeft, terwijl in een andere zaal 10 jaar realistisch is.
Gevolgen van oneigenlijk gebruik
Niet alleen de gebruiksintensiteit bepaalt de werkelijke afschrijftermijn. Ook de manier waarop de sportinventaris wordt ingezet heeft invloed. In het bewegingsonderwijs worden springkasten niet alleen meer gebruikt om overheen te springen. Ze zijn ook onderdeel van een hindernisbaan, worden ingezet bij freerunning, er worden schuine vlakken op gebouwd en de losse delen worden gebruikt in een behendigheidsparcours. Dit gebruik leidt tot grotere slijtage en versnelde afschrijving, omdat springkasten hier niet voor gemaakt zijn. In dat geval is het niet alleen belangrijk de juiste sporttechnische afschrijftermijn te bepalen, maar ook om bij vervanging te zoeken naar producten die beter aansluiten op het huidige gebruik. Denk aan combiframes of Sport cubes.
Voorbereid op de toekomst
Om te voorkomen dat je jaarlijks geld te kort komt voor onderhoud en vervanging, is het dus verstandig om de werkelijke sporttechnische afschrijftermijnen van alle sportinventaris in beeld te hebben. Dat kan door het op (laten) stellen van een meerjarenbegroting per sportaccommodatie. Hiermee maak je niet alleen inzichtelijk hoe lang toestellen meegaan, maar ook welk budget je de komende jaren nodig hebt om toestellen op tijd te vervangen.
Veiligheidsnormen van speeltoestellen op het schoolplein
“Juf, er is een ongelukje gebeurd…” Ongelukjes zitten in een klein hoekje, zeker met spelende kinderen. Gelukkig blijft het meestal bij een pleister en een knuffel. En als school doe je er ook alles aan om erger te voorkomen. Voldoen aan alle veiligheidseisen voor de speeltoestellen op jouw schoolplein bijvoorbeeld. In dit artikel leggen we uit welke regels en wetten van toepassing zijn.
Warenwetbesluit
Sinds maart 1997 is het Warenwetbesluit veiligheid attractie- en speeltoestellen (Staatsbesluit 474) van toepassing. Hierin is vastgelegd dat speeltoestellen veilig geproduceerd en beheerd moeten worden. Het besluit is van toepassing op speeltoestellen die bestemd zijn voor publiek gebruik. Een school is verantwoordelijk voor het beheer van de speeltoestellen op het terrein van de school, tenzij je hierover andere afspraken hebt gemaakt met de gemeente. De school of de gemeente moet dus voldoen aan bovenstaande wet.
Wat vraagt deze wet dan precies van scholen? De volgende eisen staan in het Warenwetbesluit veiligheid attractie- en speeltoestellen:
- Speeltoestellen die na maart 1997 geproduceerd zijn, moeten goedgekeurd zijn en voorzien zijn van een typekeurcertificaat.
- Voor speeltoestellen die vóór maart 1997 geproduceerd zijn, geldt dat jij als beheerder moet aantonen dat de toestellen veilig zijn en veilig beheerd worden. alles moet doen om deze toestellen veilig te houden of veilig te maken.
- Per speeltoestel moet je een logboek bijhouden. Hierin moet worden bijgehouden op welke data inspecties, reparaties en eventuele ongelukken hebben plaatsgevonden. Hierin staan naast de toestelgegevens ook data waarop inspecties, reparaties en ongelukken plaatsgevonden hebben. Bij een ongeluk waaruit aansprakelijkstelling volgt, zal de verzekeringsmaatschappij altijd nagaan of jij als beheerder adequaat gehandeld hebt. Als blijkt dat je ‘aantoonbaar in gebreke bent gebleven’, dan kan de school ‘nalatigheid in handelen’ verweten worden.
Richtlijnen soorten inspecties
Oke, je moet dusvoldoen aan de wet. Maar welk soort inspecties moet je dan uitvoeren op de speeltoestellen op jouw schoolplein? Hieronder vind je de richtlijnen voor de verschillende soorten van inspecties volgens de Europese norm. De frequentie waarin alle inspecties plaatsvinden, is afhankelijk van de gebruiksintensiteit en de vervuilingsgraad.
Routinematige inspectie
- Visuele inspectie op gebroken of losgeraakte onderdelen, vervuiling van toestel of ondergrond en vandalisme.
- Frequentie: dagelijks tot wekelijks.
Functionele inspectie
- Meer gedetailleerde inspectie waarbij o.a. gekeken wordt naar verbindingen, stabiliteit, beschadiging aan toplagen, roestvorming en de dikte van het bodemmateriaal.
- Frequentie: maandelijks tot 1 keer per kwartaal.
Grote inspectie
- Toestellen worden in hun totaliteit aan een grondige inspectie onderworpen conform EN 1176 en EN 1177.
- Frequentie: 1 of 2 keer per jaar.
Verantwoordelijkheid
De routinematige en de functionele inspectie, ook wel de zichtinspecties genoemd, moet jij als beheerder regelmatig zelf uitvoeren. Je kijkt dan naar de bevestigingspunten, stabiliteit van de constructie, splinters bij houten delen, scherpe randen en uitstekende delen.
De uitgebreide (grote) inspectie op basis van de EN 1176 en EN 1177 moet door een professioneel bedrijf uitgevoerd worden. Om de veiligheid te garanderen kun je Nijha inschakelen voor jaarlijkse inspectie en onderhoud. Onze Nijha inspecteurs zijn allemaal gecertificeerd en inspecteren de toestellen nauwkeurig. Na afloop van de inspectie ontvang je als klant een inspectierapport. Daarin lees je de staat van het toestel en welk onderhoud en reparaties uitgevoerd moeten worden. De monteurs van Nijha bekijken alle toestellen heel grondig. Na afloop ontvang je als klant een inspectierapport. Daarin lees je de staat van het toestel en welk onderhoud en reparaties uitgevoerd moeten worden. Onze monteurs zijn allemaal gecertificeerd en ervaren. Naast inspecties voor de speeltoestellen, doet Nijha ook inspecties voor het speellokaal, de sportinventaris en outdoor- en urban sports.
Onderhoudstips sport- en spelmateriaal
Dat materialen slijten, is een goed teken! Dat geeft namelijk aan dat er veel gebruikt van wordt gemaakt. Veel slijtages zijn te voorkomen of te herstellen. Hieronder tips over:
- Het repareren van een scheur in een skippybal;
- Het repareren van scheuren in een mat of leerdek;
- Het goed vastmaken van een ballonbal om geen lucht te verliezen.
Scheur in skippybal repareren
Bij skippyballen op harde ondergronden kan er zomaar een lek ontstaan als de bal op een scherp voorwerp komt. Door de luchtdruk in bal blijft het vaak niet bij een klein gaatje maar is het al snel een scheur. Als dit niet te groot is, dan kan die gerepareerd worden met Tear-Aid type B.
Oersterk
De gebruikte transparante folie is oersterk. De plek van de reparatie wordt dus geen zwakke plek. Omdat het folie dun en transparant is, valt het nauwelijks op en doet het geen afbreuk aan de gebruikseigenschappen.
Snel gebruiksklaar
Tear Aid is niet alleen sterk en rekbaar maar ook nog eens snel aan te brengen:
- Ontvet de ondergrond met het meegeleverde alcoholdoekje;
- Even laten drogen en reparatiepatch aanbrengen;
- Goed aandrukken en klaar;
- De bal is direct gebruiksklaar en heeft na 24 uur 100% hechting.
Twee soorten Tear Aid
- Type A is geschikt voor alle producten met uitzondering van PVC. Denk aan scheuren in luchtbedden, canvas matten, leerdek van springkast of zadel van eenwieler.
- Type B is voor vinyl producten zoals skippyballen, vinyl matten, springkussens, Gymnic ballen en trampolineranden.

Scheur in mat of leerdek repareren
Door veelvuldig gebruik of door aanraking met een scherp voorwerp kan er een scheur ontstaan in een canvas mathoes of een springkastdek. Om te voorkomen dat een klein gaatje een grote scheur wordt, is het raadzaam deze snel te behandelen. Als de scheur of het gat niet te groot is, dan kan die gerepareerd worden met Tear-Aid type A.
Snel gebruiksklaar
Tear Aid is niet alleen sterk en rekbaar maar ook nog eens snel aan te brengen:
- Ontvet de ondergrond met het meegeleverde alcoholdoekje
- Even laten drogen en reparatiepatch aanbrengen
- Goed aandrukken en klaar
- De mat of het leerdek is direct gebruiksklaar en heeft na 24 uur 100% hechting

Ballonbal verliest lucht door klein gaatje
De ballonbal wordt opgepompt met een dubbelwerkende pomp of opgeblazen via een rietje, daarna wordt er een stop in gedrukt. Als de bal direct na het opblazen of oppompen al lucht verliest kan dat 2 oorzaken hebben:
Er ontsnapt lucht bij het ventiel
Als de stop vaak in en uit de bal gaat, dan kan de ventielopening wat ruimer worden waardoor er langzaam lucht ontsnapt uit de opgepompte bal. Of dit het probleem is kun je snel zien als je wat water op het ventiel druppelt. Plakband als oplossing. Plakband is glad waardoor de stop nog steeds goed in de bal te drukken is. Gebruik geen (sport)tape, dat is te ruw en zal opstropen als de stop in de bal gedrukt wordt.
- Haal de stop uit de bal en doe plakband om het bovenste deel van de stop.
- Begin met 1 laag, als dat niet voldoende is, breng dan nog een volgende laag aan, net zolang tot er geen lucht meer ontsnapt.
Er zit een gaatje in de bal
- Houd de opgepompte bal onder water, aan de luchtbellen kun je zien waar het lek zit;
- Markeer de plek met een pen of stift;
- Maak de bal goed droog;
- Doe een heel klein beetje lucht in de bal (dit voorkomt dat bij het plakken de lijm ook plakt aan het tegenoverliggende materiaal);
- Doe een druppel PVC lijm op het gaat en laat het drogen.
Deze oplossing werkt alleen bij kleine gaatjes en soms is het nodig de procedure een paar keer te herhalen. Als een gat te groot is, kan Tear- Aid een oplossing zijn. Zie hiervoor het Tear Aid blog.
Plakband en lijm voor meer ballen een handige oplossing.
Naast de ballonbal kunnen bovenstaande oplossingen ook toegepast worden op de volgende ballen:
De plakband oplossing werkt wel bij onderstaande ballen, het lijmen van een gaatje niet.
Wanneer kies je voor een gymzaal of voor een sporthal?
Veel scholen staan op enig punt voor de beslissing: gaan we beweegonderwijs geven in een gymzaal, of in een sporthal? Beide mogelijkheden hebben hun voors en tegens. We zetten de afwegingen voor scholen op een rij.
Scholen hebben veel ruimte nodig voor gymlessen. Gebruikmaken van een grote sporthal lijkt dan een ideale oplossing. Je hebt daar immers vaak drie keer zoveel ruimte. Ook vanuit gemeenten – de eigenaren van veel grote sportaccommodaties – wordt dit vaak toegejuicht. Gemeenten die bijvoorbeeld overwegen een topsportaccommodatie neer te zetten, gaan er graag vanuit dat het onderwijs een bijdrage zal leveren aan het gebruik en dus ook aan de huur. Toch zijn (top)sporthallen niet bij voorbaat geschikt voor beweegonderwijs.
Vierkante versus kubieke meters
Onderwijs heeft baat bij vierkante meters om alle kinderen een plek te bieden. De sport vraagt daarentegen om kubieke meters. De internationale regels voor sporten vereisen steeds hogere hallen. Daarom komen er meer en meer topsporthallen met een hoogte van 9 meter en zelfs al 11 meter. Voor onderwijsgebruik - maar ook voor trainingen van de gemiddelde sportvereniging - volstaat een hoogte van 7 meter. Die 2 of 4 meter extra hoogte leveren het onderwijs geen meerwaarde op. Sterker nog, die extra hoogte levert problemen op als het gaat om bijvoorbeeld de zwaaitoestellen.
Eén hal versus variatie in ruimtes
Een topsporthal is veelal niet meer dan een hoge hal waarin topsportvoorzieningen als basketbaltorens en volleybal centercourts zijn aangebracht. En natuurlijk tribunes voor de toeschouwers. Voor het onderwijs is een topsporthal niet anders dan een accommodatie waar kwalitatief goede lessen bewegingsonderwijs gegeven moeten kunnen worden.
Bepaal op basis van het vakwerkplan LO welke behoefte jouw school heeft. Tip: weeg dit ook eens af samen met andere scholen in de gemeente. Misschien heb je behoefte aan één grote hal. Misschien passen 3 losse gymzalen beter bij de behoeften. Maar het kan ook dat je behoefte hebt aan één gymzaal, één spelzaal en één kleine fitnessruimte. Die verschillende ruimtes kun je uiteraard ook binnen één accommodatie onderbrengen waarbij je een bergruimte en inventaris deelt.
Bouwtechnische aanpassingen
Bewegingsonderwijs vraagt om de juiste onderwijs sportinventaris. En daarvoor zijn extra (bouwkundige) investeringen nodig als je hiervoor een topsporthal wilt gebruiken. Zoals:
- Het zwaaipunt voor ringenzwaaien moet verlaagd worden naar 5,5 meter voor onderwijsgebruik. Bij een zaalhoogte van 9 meter kan dat niet meer vanaf het plafond. Een extra tussenconstructie is dus nodig.
- Alle sporttoestellen zoals bijvoorbeeld klimrekken en basketbalinstallaties moeten ‘obstakelvrij’ gemonteerd worden. Ook daarvoor zijn extra bouwkundige voorzieningen nodig.
- Voor onderwijs heb je een grotere toestelberging nodig. Oppervlak en indeling moeten zo zijn dat onderwijsinventaris niet geblokkeerd wordt door grote sportinstallaties als verplaatsbare basketbaltorens. Deze extra vierkante meters moeten vroegtijdig bekend zijn.
Akoestiek
De akoestiek in topsporthallen laat nogal eens te wensen over als het gaat om onderwijsgebruik. Bij een volleybalwedstrijd op topniveau met een goed gevulde tribune is sprake van een heel andere akoestiek, dan in een 9 meter hoge hal waarin 30 kinderen basketballen. Veel docenten bewegingsonderwijs hebben gehoorbeschadigingen en stemproblemen. Uit onderzoek van de KVLO blijkt dat de slechte akoestiek in binnensportaccommodaties hier vaak de oorzaak van is. Alle reden om de normen voor akoestiek mee te nemen in je besluitvorming.
Stel jezelf ook de volgende vragen
Om een goede afweging te maken kun je daarnaast nog denken aan de volgende zaken:
- Bereikbaarheid: een topsporthal staat vaak aan de rand van de gemeente. Gaat vervoer van de leerlingen naar de gymles dan af van de effectieve beweegtijd?
- Financiën: als je voor een sporthal kiest, hoe zijn de exploitatiekosten verdeeld over alle gebruikers? In een gymzaal zijn de kosten voor inventaris en beheer vaak lager.
- Leerlingenprognose: wat heb je op middellange en lange termijn nodig aan ruimte?
- Avondopenstelling: als je kiest voor een eigen gymzaal, onderzoek dan ook een de mogelijkheden om deze ’s avonds te verhuren aan andere verenigingen.
- Daglicht en energie: sporthallen hebben meestal geen daglicht. En wat zijn de kosten voor de school voor kunstlicht (en warmte) bij sporthalgebruik?
Advies van een expert
Is jouw besluitvorming na het lezen van dit artikel eenvoudiger geworden? Of roept het juist meer vragen op? Aarzel niet om advies te vragen aan de experts van Nijha. Wij hebben jarenlange ervaring met zowel gymzalen als sporthallen. We werken veel samen met scholen, verenigingen en gemeenten en kunnen je helpen bij de juiste keuze voor de wensen en mogelijkheden van jouw school.
Pauze spelkar
‘‘Wij weten niet wat we moeten gaan doen, wil jij ons helpen?’’ Is deze uitspraak van leerlingen herkenbaar zodra ze mogen spelen op het plein? Dan biedt onze Pauze spelkar de oplossing! De Pauze spelkar zit namelijk boordevol sport- en spelmaterialen inclusief activiteitenkaarten. Op deze manier kunnen leerlingen direct en zelfstandig activiteiten doen op het plein.
Bijkomend voordeel; bij een Pauze spelkar ontvangt de school waardebonnen voor gratis vervangingsmateriaal. Is het materiaal versleten doordat het dagelijks veel wordt gebruikt? Dan kun je eenvoudig én gratis nieuwe materialen aanschaffen. Dit voordeel loopt al snel op tot 20% korting op de aanschafprijs.. Zo zorg je met de Pauze spelkar voor jarenlang maximaal speelplezier!
Volop keuze
De Pauze spelkar is er in 3 varianten; voor elk budget is er een aantrekkelijke spelkar. Alle 3 varianten bevatten materialen voor zowel onder-, midden als bovenbouw. Voor individuele activiteiten, spellen met tweetallen of teamspelen. Dat biedt, naast gebruik in de pauzes, ook mogelijkheden voor de buitengymles of naschoolse activiteiten.
Een Pauze spelkar aangeschaft? Dan ontvang je bij de bestelling automatisch 3 waardebonnen voor vervangingsmateriaal voor de komende 3 jaren. Zo krijg je bij de Pauze spelkar uitgebreid deze waardebonnen:
- Jaar 1 € 75,00 exclusief BTW
- Jaar 2 € 90,00 exclusief BTW
- Jaar 3 € 110,00 exclusief BTW
Jaarlijks loopt het vervangingsbedrag op omdat de slijtage elk jaar groter wordt en de kans groot is dat er meerdere materialen vervangen moeten worden. Tip! Ga je de Pauze spelkar ook naschools inzetten? Dan is het ook mogelijk om de box te bekostigen vanuit de Sportakkoord gelden.
De inhoud
De Pauze spelkar is een kar op wielen zodat deze eenvoudig op de juiste locatie op het plein gerold kan worden. De Pauze spelkar bevat, afhankelijk van de variant 30 - 60 sport- en spelmaterialen en 30 – 70 spelactiviteiten. Een paar voorbeelden van materialen:
- Skateboard | Balanceren kun je leren
- KanJam set | Scoor punten met de frisbee
- Stoepranden | Wie kent dit niet van vroeger?
- Fhuttle | Te gebruiken als shuttle én als bal
- Parachute ø 4 m | Leuk voor de allerkleinsten!
- Move cube | In te zetten bij 1001 spellen
- Sport- en spelballen | Die komen altijd van pas

Bekijk de:
Dodgeball
Dodgeball of dodgebal is de internationale term voor trefbal. Dan zou je denken dat een dodgeball bal geschikt is voor trefbal, maar zo eenvoudig ligt het niet. Een dodgeball bal is in de loop van de tijd ook een algemene spelbal geworden die niet altijd geschikt is voor afgooispelen. Dus tijd om wat helderheid te scheppen.
Eigenschappen van een échte dodgeball bal
De officiële dodgeball bal heeft een diameter van 21,5 cm, weegt ca. 410 g en is gemaakt van rubber, foam of stof. Officiële wedstrijden van de World Dodgeball Federation worden gespeeld met een foambal omdat die minder doorknelt dan een rubber bal. Voor kinderen wordt een kleinere bal gebruikt met een diameter van ø 16 – ø 18 cm.
Het spel en het speelveld
Bij dodgeball spelen 2 teams tegen elkaar waarbij de spelers elkaar af moeten gooien. Het Elite speelveld heeft een afmeting van 17 x 7,6 meter met in het midden een neutrale zone van 3 meter (een worp moet ingezet worden van achter de 3 meter-lijn). Een bal mag wel gepakt worden binnen de 3 meter-lijn maar mag pas vanachter die lijn weer gespeeld worden.

Varianten van Dodgeball
Er zijn veel speelveldvarianten; met zij- en achtervakken om afgegooide spelers toch een rol te geven, met een achtervak waar één speler van de tegenstander staat, enz. Kies vooral het speelveld dat aansluit op de spelintentie en passend bij de spelers.
Meest gebruikte dogeball bal in Nederland
Binnen het voortgezet onderwijs zijn er 2 populaire dogeballen/trefballen; de foambal met olifantenhuid ø 21 cm of de Airball. Bij de basisschool wordt vaker een kleiner formaat ingezet omdat die beter hanteerbaar is en minder hard aankomt. Veel gebruikte ballen zijn daar de foambal met olifantenhuid ø 16 cm, de smoothball ø 16 cm of de dogeball junior. Welke keuze gemaakt wordt is afhankelijk van de groep, de vaardigheid, de kracht waarmee gegooid wordt en de beschikbare ruimte.

En de speciale dodgeballen dan?
Er zijn diverse ballen in omloop met de naam ‘dodgeball’. Die zijn echter niet allemaal geschikt voor trefbal omdat het meer algemene spelballen zijn die breed inzetbaar zijn bij werpen en vangen maar minder geschikt zijn voor afgooispelen. Ballen die wel geschikt zijn voor afgooispelen zijn de Trial dodgeballen. Deze zijn gemaakt van een zacht kunststof en in verschillende maten en gewichten verkrijgbaar:
- Dodgeball Trial Junior – geschikt voor basisonderwijs en spelvormen op een kleine ruimte, weegt slechts 210 gram
- Dodgeball Trial Senior – geschikt voor voortgezet onderwijs bij spelvormen met meerdere ballen. Bal weegt 250 gram
- Dodgeball Trial Pro – de meeste stevige uit de serie. Geschikt voor spelen in een hele gymzaal. Bal weeg 300 gram.
- Dodgeball Trial trefbal – met een diameter van 24 cm de grootste bal. Door de omvang en het gewicht van 240 gram niet de snelste bal, goed zichtbaar en met een verrassende vlucht; de bal wijkt bij een harde worp wat af van de rechte baan.
Heb je nog vragen? Stel die dan aan onze specialisten. Stuur een mail naar sportenspel@nijha.nl of bel naar (0573) 28 85 55 .
Hoe willen meiden bewegen in de openbare ruimte?
Onderzoek naar sportwensen van meiden
Katja Braam en Willemijn Langkamp werken bij Hogeschool Inholland en deden onderzoek naar de sportwensen van meiden in de buitenruimte. Ook ontwikkelen zij een sportieve meidencommunity binnen het Sportlab in Haarlem. Katja: “Meiden gebruiken het aanbod veel minder, ze staan er een beetje bij, of je ziet ze niet. Als we willen dat meer meiden de beweegrichtlijn halen, vraagt dat om structurele beweegparticipatie. Maar structureel en adolescent is een lastige combinatie. Jongeren willen vooral sporten als ze zin hebben. Uit eerder onderzoek bleek al dat jonge meiden geen vaste sporttijden willen en vooral ‘niet willen als ze moeten’.
Wat willen de meiden?
Aan het onderzoek deden 132 meiden uit Haarlem en omgeving mee, gemiddeld 15 jaar oud. Katja: “De meiden willen het liefst sporten in een kleine groep of in een team. Liefst in de avond. Geen contactsporten, maar wel iets met dansen. En hoewel de meeste meiden zeggen dat ze best gemengd willen sporten, horen we uit de praktijk juist dat ze vaak liever alleen met meiden sporten.”
Culturele uitdagingen
Gevraagd naar hun belemmeringen noemen de meiden in Haarlem: ik heb geen zin, ik weet niet of het leuk is, ik weet niet of ik het wel kan of volhoud en ik ben te moe. Katja: “De middelbare school kost veel tijd en de prestatiedruk is hoog. Dus zien we dat sport als eerste afvalt.”
Soms hebben ook culturele verschillen impact. Katja: “Niet alle ouders willen dat hun dochters sporten in het zicht van mannen, wat buiten sporten lastig maakt. Een mooi voorbeeld hoe het wél kan is Alphen aan de Rijn: daar heeft de islamitische school samen met buurtsportcoach het dansaanbod voor meiden opgezet.”
Nadruk op samen
Bevorderende factoren noemen de Haarlemse meiden ook: er is veel keus, samen sporten is gezellig, we vinden het leuk om met elkaar bezig zijn, je wordt er fit van. Sporten moet haalbaar zijn voor iedereen, ondanks conditie en talent. Daarbij willen ze graag een leuke trainer die plezier centraal zet en hen motiveert.
Katja: “Samen doen en samen zijn is overduidelijk een heel belangrijke factor voor meiden. Daarom zetten we in op community building en plek waar ze zich prettig en welkom voelen. Zeker voor meiden uit gezinnen met een lagere sociaal economische status is dat sociale element heel belangrijk.”
Peers met een trekkersrol
Willemijn vertelt meer over het Sportlab. “We hebben een locatie in de openbare ruimte, waar we gevarieerd beweegaanbod voor meiden organiseren, samen met partners. Een rolmodel dat dichtbij de groep staat en meiden aanspreekt is onmisbaar. Gelukkig hebben we een jonge vrouwelijke buurtsportcoach die de meiden goed weet te vinden. Maar ‘peers’ blijven het belangrijkst. De meiden kijken heel erg naar elkaar, dus we zoeken ook binnen de groep steeds trekkers die de boel een beetje aanzwengelen.”
“We werken nauw samen verschillende sportverenigingen, SIOS en met jongerenwerk als we de wijk in gaan. Het is soms best lastig: ze willen wel iets doen, en ze willen wel komen. Maar dan komen ze in een strak jurkje en naveltruitje en willen ze coole sporten doen als kickboksen. Maar al snel komen dan de jongens op een muurtje zitten en kijken. Dat vonden de meiden niet prettig. Dus we zoeken een wat meer afgeschermde plek.”
Urban Dance Grounds in Utrecht
Petra Pluijmers constateerde dat in Utrecht maar liefst 54% van de jongens – versus slechts 7% van de meiden sport in de openbare ruimte. Samen met de meiden bedacht ze een innovatief concept: de Urban Dance Ground. Een plek in hun eigen wijk, mét muziek en choreo’s, waar ze kunnen dansen en Tiktoks kunnen opnemen. De meiden kozen de plek zelf uit en onderhouden hem goed.”
Female leaders bij 3x3 basketbal
Stichting 3x3 Unites leidt jongeren op tot ‘leaders’, die in hun eigen wijk een basketbal community opbouwen en activiteiten organiseren. Ilse Waanders is een van de vrouwelijke leaders van 3x3 en weet uit ervaring hoe lastig het is om op straat zomaar met de jongens mee te durven doen. “Meiden moeten de openbare ruimte durven claimen. Als je het spannend vind, neem dan je vriendinnen en zussen mee, want dat voelt zelfverzekerder. Jij mag er ook spelen!”
Calisthenics voor meiden
Calisthenics is een vorm van sport waarbij je je eigen lichaamsgewicht gebruikt. Toen professioneel atleet en tweevoudig wereldkampioen Melanie Driessen begon, was het nog echt een mannencultuur. Dat vond ze eerst best angstaanjagend, maar al die gespierde mannen bleken heel aardig! Sinds Melanie filmpjes deelt op social media, raakten ook andere meiden enthousiast. “Soms krijg ik apps van vrouwen dat juist ik ze heb gemotiveerd, om te zien dat een vrouw het ook kan!”
Hoe betrek je inwoners bij het inrichten van een beweegplek?
Je hebt altijd al actieve buurtbewoners gehad, maar de laatste jaren is de dialoog tussen gemeenten en inwoners echt goed op gang gekomen. Inwoners nemen steeds vaker zélf het initiatief voor lokale beweegprojecten. Beleid wordt niet meer op afstand gemaakt, maar de gemeente trekt actief de wijk in om samen met inwoners en lokale partners aan de slag te gaan. Wij geven intensieve begeleiding aan die trajecten. We delen onze ervaringen en tips.
Betrek mensen vanaf het begin
‘Als je betrokken mensen wilt: dan moet je ze betrekken!’ Dat klinkt logisch, maar soms zie je dat een gemeente ergens toestellen plaatst die vervolgens nauwelijks gebruikt worden. Je moet buurtbewoners, scholen, zorginstellingen en andere partijen vanaf het begin betrekken. Ten eerste weet je dan beter aan wélk soort materialen behoefte is. Maar je leert ook waar in de wijk je de materialen het beste kunt plaatsen en aan welke programmering behoefte is. Het mooie is: mensen die vanaf het begin betrokken zijn, tonen ook meer verantwoordelijkheid voor het gebruik en onderhoud.
Verandering komt uit vele hoeken
De motivatie om de openbare ruimte beweegvriendelijk in te richten kan uit verschillende hoeken komen. Inwoners geven aan meer groen of speelplekken in de buurt te willen. Wijk- of dorpsraden hebben onderzoek gedaan naar de leefbaarheid van de buurt. De gemeente gaat aan de slag met een omgevingsvisie. Het sociale wijkteam merkt op dat oudere inwoners vereenzamen. Het speelbeleid wordt herzien. Of vanuit het verenigingsleven ontstaat de behoefte om een multifunctionele sportaccommodatie te ontwikkelen.
Projectteam mét buurtbewoners
Een openbare ruimte die uitdaagt tot bewegen ontwikkel je niet alleen: betrek in de eerste plaats de inwoners die in de buurt wonen. En denk ook aan sportverenigingen en scholen: ook zij hebben een visie op beweegaanbod voor hun leden en leerlingen. Het bundelen van ervaringen en ideeën leidt vaak tot verrassende nieuwe inzichten. Tot slot is ons advies: vraag ook diverse afdelingen van de gemeente aan tafel. Daarmee los je issues rondom bijvoorbeeld gemeentegrond,verkeersveiligheid en beheer snel op.
De wijkscan
Om een goed plan te maken heb je input nodig uit de buurt. Zoek altijd naar een combinatie van feiten en beleving. Om een goed startpunt te hebben voor de feiten, doen we vaak een wijkscan samen met het projectteam. Daarmee verzamel je informatie over de inwoners: bijvoorbeeld aantal inwoners, leeftijdscategorie, eenzaamheid, enzovoorts. Maar ook informatie over dewijk: soort bebouwing, hoeveelheid groen en beschikbare sportaccommodaties.
Creatieve werkvormen
Naast de feiten, gaan we ook op zoek naar beleving en ervaringen. Dat doen we door verschillende creatieve werkvormen in te zetten. Denk aan een enquête uitzetten, met kinderen op ‘safari’ gaan in de wijk of buurt, of een bewonersavond organiseren. Je kunt met kinderen ook hun ‘droomwijk’ bouwen.
In het Valeriuskwartier in Leeuwarden organiseerden we bijvoorbeeld een wijksafari waarin we samen met kinderen - en later met hun ouders - een wandeling door de wijk maakten. De kinderen konden precies aangeven welke routes zij gebruiken, waar ze graag spelen en ook hoe ze spelen. Dat leverde ook voor de gemeente nieuwe inzichten op. De wijk had een grote speelvoorziening, maar wat bleek: kinderen mochten daar niet zelfstandig naartoe vanwege een gevaarlijke oversteek. Zonde, want zo werden de speeltoestellen niet goed gebruikt.

Kansen en prioriteiten
Om inwoners stap voor stap mee te nemen, helpt het als je visuele middelen hebt. Wij werken met kansenkaarten. Hierin laten we alle uitdagingen en mogelijkheden in de wijk zien. Samen met inwoners vergelijk je deze kaart met hun behoeftes, ambities en natuurlijk ook met het beschikbare budget. Een ontwerper maakt het vervolgens nog concreter, door een conceptplan te maken. Hierin krijgen alle gewenste functies (bewegen, spelen, groen, ontmoeten, educatie, cultuur) en activiteiten een plek. Dit presenteren we graag aan de hele buurt, tijdens een leuk event met sportieve activiteiten. Zo kan iedereen feedback geven.
Blijvend effect
Onze jarenlange ervaring in de buurten, wijken en op de schoolpleinen van Nederland heeft ons geleerd: met alleen fysieke maatregelen creëer je geen blijvende beweging. Kijkniet alleen naar fysieke maatregelen, maar ook naar het activiteiten aanbod en de programmering, om mensen daadwerkelijk te activeren. Ook daarbij kun je inwoners vragen waar zij behoefte aan hebben. In Delfzijl ontwikkelden we bijvoorbeeld een beweegtuin, waarbij meteen een beweegcoach werd aangesteld. Die wandelt geregeld binnen bij de dagbesteding voor ouderen die een steuntje in de rug nodig hebben, met de vraag: ‘Wie heeft er zin om even mee te gaan bewegen?’.
