Normen en richtlijnen
We ontwerpen, produceren en werken terwijl we rekening houden met de strengste normen en richtlijnen.
Artikelen
Hoe de inrichting van je speellokaal je lessen kan verbeteren
In steeds meer lessen bewegen we weg van puur klassikaal lesgeven. Er is meer ruimte voor differentiatie, zelfstandig werken en kleine groepen. Er gebeurt veel tegelijk. Ook in het speellokaal. Dat maakt je inrichting cruciaal. Want hoe je lesgeeft, bepaalt in grote mate of je speellokaal werkt… of tegen je werkt.
De invloed van je lesvorm op de ruimte
Een speellokaal is nooit neutraal. De manier waarop je het inricht, stuurt gedrag:
- waar kinderen naartoe gaan
- hoeveel ze bewegen
- of ze moeten wachten of direct aan de slag kunnen
Daarmee ondersteunt de ruimte (onbewust) een bepaalde manier van lesgeven.
Klassikaal, in groepjes of stroomvorm
Veel speellokalen worden ingericht vanuit het materiaal en/of de gehanteerde methode. De wijze van lesgeven wordt vaak niet meegenomen bij de materiaalkeuze. En dat is jammer, want het meenemen van de lesvorm kan gevolgen hebben voor bijvoorbeeld de locatie van de vaste elementen aan de wand of het plafond. Ook kan de sportvloer al voorzien worden van belijning die de lesvorm ondersteunt.
Klassikaal lesgeven
Bij klassikaal lesgeven ligt de nadruk op:
- gezamenlijke instructie
- één activiteit tegelijk
- duidelijke start- en stopmomenten
Een inrichting die hierbij past:
- biedt veel dezelfde mogelijkheden
- biedt overzicht voor de leerkracht
- stuurt de groep als geheel door de les
Dat geeft rust en duidelijkheid. Tegelijkertijd betekent het vaak dat kinderen op elkaar moeten wachten en dat er minder ruimte is voor verschillen in tempo of niveau.
Werken in groepen
Bij werken in groepen, verandert de dynamiek in het speellokaal:
- er vinden meerdere activiteiten tegelijk plaats
- kinderen werken op verschillend niveau en tempo
- er is meer ruimte voor eigen keuzes
Dat vraagt om een andere inrichting:
- meerdere zones in plaats van één centrale opstelling
- verschillende instappunten, zodat niet iedereen hoeft te wachten
- materiaal dat uitnodigt tot zelfstandig starten
Als er bij de inrichting onvoldoende is nagedacht over de wijze van lesgeven, dan is de kans groot dat er te weinig losse attributen zijn om goed te kunnen variëren en meerdere vakken te voorzien van materialen.
Werken in stroomvorm
Bij werken in stroomvorm, is sprake van een doorgaande baan waarbij
- differentiatie ingebouwd is in de materiaalopstelling
- kinderen zelf keuzen maken voor makkelijk of moeilijk
- iedereen uitgedaagd wordt op eigen niveau en succes kan beleven
Dat vraagt om een andere inrichting:
- die makkelijk aanpasbaar is in niveaus
- met veel verschillende verplaatsbare elementen
- materialen die breed inzetbaar zijn en meerdere functies hebben
Werken in stroomvorm en werken in groepen liggen dicht bij elkaar als het gaat om in te zetten materialen. Het liefst veel variatie om optimaal aan te sluiten bij het beweegniveau.
Een speellokaal die je de ruimte geeft
De oplossing zit meestal niet in kiezen voor óf klassikaal óf groepsgericht werken. Sterker nog: in de meeste lessen wissel je juist tussen die vormen. Je start samen, werkt in groepen en sluit weer gezamenlijk af. Dat vraagt om een speellokaal dat beide kan ondersteunen.
Een goed ingericht speellokaal:
- biedt ruimte voor een gezamelijke start
- maakt het mogelijk om daarna uit te waaieren in groepen
- voorkomt wachttijd door spreiding
- nodigt uit tot zelfstandig bewegen
Je inrichting hoeft niet volledig anders om beter aan te sluiten bij groepsgericht werken. Vaak zit de winst in kleine aanpassingen:
- anders positioneren van materialen. Hiervoor hebben we Dorack ontwikkeld: de productlijn waarmee je binnen no-time opstellingen maakt in het speellokaal.
- verplaatsbare materialen afstemmen op werken in groepen of stroomvorm
- meerdere routes creëren in een opstelling
Ben je benieuwd of jouw speellokaal nog extra mogelijkheden biedt of wil je de verouderde inrichting (gefaseerd) vernieuwen? Neem dan contact op met Nijha. We adviseren je graag!
Veiligheid van sportinventaris voor onderwijsgebruik
De veiligheid van sportinventaris is een verantwoordelijkheid die gedeeld wordt door verschillende partijen. Als vakleerkracht lichamelijke opvoeding heb je dagelijks te maken met de praktische aspecten van deze verantwoordelijkheid. Erik Spiegelenberg, beweegspecialist bij Nijha, heeft een artikel in het LO magazine geschreven over dit onderwerp. Dit artikel biedt inzicht in de verantwoordelijkheden, technische eisen en praktische implicaties rondom de veiligheid van sportinventaris. Met als doel om de fysieke veiligheid van lesgever en leerling optimaal te borgen. Download hieronder het volledige artikel of lees door voor de samenvatting.
Inspectie en onderhoud
Regelmatige inspectie van sportinventaris is onderdeel van de algemene zorgplicht die voortvloeit uit het Burgerlijk Wetboek, de Arbowet en de Woningwet. Inspecties helpen ongevallen te voorkomen, beperken aansprakelijkheidsrisico’s en dragen bij aan een langere levensduur van toestellen. Inspectie en onderhoud kunnen worden opgenomen in de RI&E van de school.
Een inspectie is altijd een momentopname. Een toestel dat vandaag is goedgekeurd, kan door intensief gebruik of schade later alsnog onveilig worden. Daarom is naast periodieke professionele inspectie ook dagelijkse alertheid van gebruikers noodzakelijk.
Normen en wetgeving
Voor gym- en sporttoestellen worden NEN-EN-normen gehanteerd, zoals NEN-EN 913. Deze normen geven technische richtlijnen voor veiligheid, maar zijn niet wettelijk verplicht, tenzij hier expliciet naar wordt verwezen in wet- of regelgeving. Afwijkingen van de norm zijn mogelijk, mits kan worden aangetoond dat het veiligheidsniveau gelijkwaardig is.
Sinds december 2024 geldt daarnaast de Europese General Product Safety Regulation (GPSR). Deze wetgeving vereist dat producten veilig zijn bij normaal en voorzienbaar gebruik. NEN-EN-normen vormen hierbij een belangrijk technisch uitgangspunt, maar de beoordeling blijft contextafhankelijk.
Inspecteren versus keuren
Inspecteren en keuren zijn verschillende processen. Inspectie betreft het systematisch beoordelen van de staat en veiligheid van sportinventaris, met rapportage en adviezen. Keuren is wettelijk verplicht voor bepaalde speeltoestellen en elektrisch aangedreven toestellen en resulteert in een formeel goedkeuringscertificaat. Voor de meeste conventionele gymtoestellen geldt geen keuringsplicht, maar wel een inspectieverplichting vanuit de zorgplicht.
Verdeling van verantwoordelijkheden
De verantwoordelijkheden zijn duidelijk verdeeld:
De accommodatie-eigenaar (school of gemeente) is verantwoordelijk voor structureel onderhoud, professionele inspecties en tijdige vervanging van defect of afgeschreven materiaal.
De school als werkgever moet zorgen voor een veilige leer- en werkomgeving, inclusief duidelijke procedures voor het melden en opvolgen van gebreken.
De vakleerkracht lichamelijke opvoeding is verantwoordelijk voor veilig gebruik van de materialen, het uitvoeren van visuele controles en het melden van onveilige situaties. Defect materiaal wordt niet ingezet.
Aansprakelijkheid
Bij ongevallen wordt gekeken naar de staat van de inventaris, het onderhoud en inspectiebeleid en het gebruik van het materiaal. Nalatigheid in onderhoud of inspectie kan leiden tot aansprakelijkheid van de accommodatie-eigenaar of werkgever. Het blijven gebruiken van bekend ondeugdelijk materiaal kan, in uitzonderlijke gevallen, leiden tot persoonlijke aansprakelijkheid van de lesgever.
Conclusie
Veiligheid van sportinventaris is geen eenmalige handeling, maar een continu proces. Door heldere verantwoordelijkheden, regelmatige inspecties en alert handelen in de dagelijkse praktijk kan een veilige leeromgeving worden geborgd. Zo blijft bewegingsonderwijs niet alleen uitdagend en leerzaam, maar vooral ook veilig.
Basisinventarislijst speellokaal en Handboek huisvesting speellokaal
Het speellokaal is een belangrijke ruimte als het gaat om de motorische ontwikkeling voor kleuters. Toch lag er maar weinig vast waaraan een inrichting moet voldoen en in (nieuw)bouw van basisscholen is het vaak een sluitpost. Daarom heeft de KVLO samen met partners (waaronder Nijha) een actuele basisinventarislijst opgesteld en zijn belangrijke aandachtspunten vastgelegd in een handboek huisvesting speellokaal. Deze is te gebruiken als:
- Richtlijn voor de bouw en inrichting van het speellokaal;
- Handvat om tot kwalitatieve beweeglokalen te komen waarin kleuters waarin optimaal gestimuleerd zich motorisch te ontwikkelen.
Download de basisinventarislijst speellokaal
Download het handboek inclusief basisinventarislijst speellokaal
De 10 meest gestelde vragen
Hieronder vind je 10 vragen die wij door de jaren heen vaak gesteld krijgen over het speellokaal. Doe er je voordeel mee!
- Welke materialen moeten er in een speellokaal aanwezig zijn?
Er is geen lijst met verplichte materialen. Wel heeft de KVLO (vakvereniging van vakleerkrachten LO) een basisinventarislijst gemaakt met daarin geschikte materialen. Daaruit kunnen keuzen gemaakt worden. De inrichting van een speellokaal moet aansluiten bij het vakwerkplan of de gebruikte methode, zodat invulling gegeven kan worden aan de leerlijnen en kerndoelen. Als hulp nodig is om tot een juiste keuze te komen dan kan een Nijha adviseur daarbij helpen. - Ben ik verplicht de basisinventarislijst te volgen?
Nee. De KVLO basisinventarislijst biedt een aantal opties waaruit een school kan kiezen. Als een school andere keuzes maakt, is dat mogelijk. Belangrijk is dat de inrichting veelzijdig is (dus niet alleen klimattributen), zodat leerlingen veel bewegingservaring opdoen. - Wie betaalt de inrichting van een speellokaal
Het ministerie van OC&W betaalt de ‘eerste inrichting’ van een speellokaal. Daarna is het aan de school om materialen tijdig te vervangen. Jaarlijks ontvangt de school (of het schoolbestuur) een lumpsum bedrag voor de exploitatiekosten. Daaruit moet ook de vervanging van speellokaalmateriaal bekostigd worden. - Bij wie moet ik zijn voor de vervanging van materialen
De schooldirectie is verantwoordelijk voor het tijdig vervangen van de materialen in het speellokaal. Zij ontvangen jaarlijks de lumpsum vergoeding vanuit het rijk. - Hoe lang gaan toestellen mee?
De levensduur is afhankelijk van het gebruik. Hoe groter de groepen en hoe frequenter het gebruik, hoe korter de levensduur. In de basisinventarislijst staat gemiddelde levensduur voor zowel de toestellen als de spelmaterialen. Deze kunnen gebruikt worden om inzicht te krijgen in wanneer bijvoorbeeld het klimrek of de matten vervangen moeten worden. Tel het getal in de kolom levensduur op bij het aanschafjaar en de uitkomst is het jaar dat de inventaris economisch is afgeschreven. - Wat kost de inrichting van een speellokaal?
De kosten zijn afhankelijk van de gemaakte materiaal keuzen. De basisinventarislijst geeft daarvoor een aantal opties. Houd bij de complete vernieuwing van de inventaris inclusief sport- en spelmaterialen rekening met een bedrag van € 25.000,00. Dit bedrag biedt voldoende ruimte om een tot een gevarieerd aanbod te komen met voldoende differentiatie mogelijkheden. - Wie is er verantwoordelijk voor de veiligheid in het speellokaal?
De schooldirectie is verantwoordelijk voor het veilig houden van de inventaris en erop toe te zien dat het op een juiste wijze wordt gebruikt. - Hoe vaak moet de speellokaal inventaris geïnspecteerd worden?
Eén keer per jaar de inventaris door een erkend bedrijf laten inspecteren is voldoende. In de tussenliggende periode moeten er wel ‘zichtinspecties’ plaatsvinden door de school zelf. Dit houdt in dat toestellen bekeken worden op: stabiliteit/speling, loszittende onderdelen en barsten, scheuren of splinters. Worden deze geconstateerd dan kan het inspecterende bedrijf ingeschakeld worden om het defect te herstellen (een splinter wegwerken kan uiteraard in eigen beheer plaatsvinden). Wordt het speellokaal nog niet jaarlijks geïnspecteerd? Hier vind je meer informatie over inspecties. - Voor welke groepen is het speellokaal bedoeld
De speellokaalinventaris is ontwikkeld voor groep 1 en 2 met een uitloop naar groep 3. Voor hogere groepen is het materiaal minder uitdagend en bovendien worden leerlingen zwaarder waardoor het materiaal sneller slijt. - Mag de BSO en/of kinderopvang ook gebruik maken van het speellokaal?
Als er begeleiding is door een ALO, CIOS of PABO gediplomeerd persoon, dan mogen kinderen van de BSO en Kinderopvang gebruik maken van het speellokaal. Als een pedagogisch medewerker geen aanvullende bevoegdheid heeft, dan mag deze geen materialen in het speellokaal gebruiken. Zonder toezicht is het zeer onverstandig om kinderen te laten spelen in het speellokaal. Uiteraard geldt bij gebruik van de toestellen dat deze berekend zijn op het gebruik door groep 1 en 2. Als hogere groepen er gebruik van maken, dan moet er rekening gehouden worden met versnelde slijtage.
Afmetingen van de gymzaal
Een veelgehoorde vraag: In onze gemeente mogen we een nieuwe gymzaal bouwen. We denken aan een zaal met de maten 21 x 12 meter. Nu horen we dat de KVLO als afmetingen gymzaal 26 x 15,4 meter aanbeveelt. Maken die paar meter extra in de praktijk zoveel verschil?
Argumenten vóór grotere gymzalen
Een paar meter extra is een verschil van dag en nacht. In de eerste plaats, de gymzalen van vroeger zijn gebaseerd op een hoeveelheid vierkante meter ruimte per leerling. De lesgroepen zijn sinds die tijd veel groter geworden. Vanuit dat oogpunt is iedere extra meter er één. Maar ook het veranderende bewegingsonderwijs in de afgelopen decennia vraagt om een zaal met grotere afmetingen, in de lengterichting en in de breedte. Welke argumenten liggen hieraan ten grondslag?
Grotere groepen
De projectgroep Normen van de KVLO beveelt een afmeting van 26 x 15,4 meter aan voor een gymzaal. Er zijn hiervoor een aantal belangrijke argumenten aangedragen. Zo zijn de groepen in het basisonderwijs en voortgezet onderwijs groter geworden, waardoor er meer “beweegruimte” nodig is. Om effectief en gevarieerd les te kunnen geven, maar ook om een veilige gymles te kunnen bieden en ongevallen te voorkomen. Daarnaast zijn er vakinhoudelijk belangrijke beweegredenen om voor een grote zaal te kiezen. Dit geeft docenten de mogelijkheid om in 3 vakken les te geven.
In meerdere situaties lesgeven
Het belangrijkste vakinhoudelijke argument is het lesgeven in meerdere situaties. Oftewel het aanbieden van drie of meer activiteiten gelijktijdig. Een wijze van lesgeven die alle hedendaagse bewegingsmethodes adviseren en iets wat vrijwel iedere vakleerkracht bewegingsonderwijs en groepsleerkracht in de praktijk ook doet. Deze manier van lesgeven vergroot de bewegingsintensiteit en leidt ertoe dat activiteiten vaak “in de breedte” worden gegeven. En die extra meters zijn dan zeer gewenst om de activiteiten goed tot hun recht te laten komen.
Zwaaien over de breedte
Eén van de bekendste leerlijnen binnen bewegingsonderwijs is zwaaien. Groot nadeel van zwaaien is dat het veel ruimte inneemt over de lengte van een gymzaal, waardoor naast het zwaaien weinig ruimte overblijft voor andere activiteiten. Maar dit probleem is er niet met een 15,4 meter brede gymzaal. Er kan dan gezwaaid worden over de breedte van de zaal, waardoor de overige zaalruimte veel effectiever voor andere activiteiten kan worden gebruikt. Belangrijk hierbij is in een vroeg stadium, de ontwerpfase van een gymzaal, bij de architect aan te kaarten dat de wens er is te zwaaien over de breedte. In het ontwerp kan dan rekening worden gehouden met een juiste plaatsing van de draagbalken. De gemeente Arnhem heeft een aantal gymzalen op deze wijze ingericht en andere gemeenten hebben zich laten inspireren door dit “Arnhems model”.
Ook voor sportspelen
Ook voor sportspelen, zoals volleybal, badminton, basketbal, korfbal en voetbal bieden de extra meters meerwaarde. In de gymles, maar ook voor trainingen van sportverenigingen in de gymzalen. Sporten – basketbal, korfbal, voetbal, hockey- tijdens de gymles, waarbij het recht van aanval halen centraal staat, worden vaak in meerdere situaties naast elkaar aangeboden. De extra ruimte zorgt letterlijk voor meer diepte in het spel zodat deze sportactiviteit beter tot z’n recht komt en de activiteit beter “loopt”. En bij netspelen over de breedte zoals volleybal en badminton is er meer ruimte achter de achterlijn, waardoor het bekende kort-lang spel –sparren- veel meer uitdaging krijgt. Door de breedte van 15,4 meter kunnen er 3 badmintonvelden naast elkaar liggen. De lengte van 26 meter maakt het mogelijk om basketbal te spelen voor het bewegingsonderwijs. Bij trainingen van sportverenigingen in de avonduren is er meer uitloop buiten de speelbelijning, waardoor de training veiliger is en de kans op aanraking met de muur kleiner is.
Basisinventarislijst gymzalen
Met deze lijst is het eenvoudig te zien welke toestellen en sport- en spelmaterialen er aanwezig moeten zijn in de zaal.
In 2000 heeft de KVLO de eerste basisinventarislijst voor het primair onderwijs ontwikkeld als opvolger van de LONDO lijst. In de afgelopen jaren is er veel veranderd in het bewegingsonderwijs, zowel op het gebied van lesorganisatie als op het vlak van inrichting en zaalafmetingen.
Als vervolg is er in maart 2018 een totaal vernieuwde nieuwe basisinventarislijst verschenen.
Uitgangspunten in 2000
De Basisinventarislijst is ontwikkeld op basis van de volgende uitgangspunten:
- de inventarislijst biedt voor elke visie op bewegen en vanuit de belangrijkste methoden mogelijkheden een gymzaal goed in te richten.
- de inventarislijst is toekomstgericht en zowel toepasbaar in huidige zalen (12 x 21 m) als in grotere afmetingen (14 x 22 m).
- de inventarislijst biedt ruimte om les te geven in 3 of 4 groepen, maar ook klassikaal of in stroomvorm.
Kortom: een breed toepasbare basisinventarislijst voor elke lesgever, gemeente of schoolbestuur.
Keuzevrijheid per zaal
Vroeger was er sprake van een standaardinrichting voor elke zaal voor het primair onderwijs. Tegenwoordig wordt de inrichting meer en meer bepaald door het vakwerkplan bewegingsonderwijs of de door de school gebruikte methode. Dat betekent maatwerk. Daarom zijn er in de inventarislijst diverse stelposten opgenomen. Zo kan voor de ene zaal een keuze gemaakt worden voor 2 landingsmatten terwijl in een andere zaal er extra kleine matten aangeschaft worden binnen het bedrag van de stelpost. De basisinventarislijst geeft dus een financieel kader. De inhoudelijke onderbouwing bepaalt de specifieke materiaalinvulling.
Meer materiaal nodig
Klassen worden steeds groter. Om kinderen zoveel mogelijk te laten bewegen, wordt er daarom veel in 3 of 4 groepen (vakken) gewerkt. Dat vraagt een andere en intensievere inzet van sportinventaris. Voorbeeld: bij een klassikale opstelling voldeden 6 kleine turnmatten maar bij het werken in groepen kom je al snel tekort, omdat er in 2 vakken matten nodig zijn. In de inventarislijst is er rekening gehouden met de huidige behoeftes aan materialen.
Hoe omgaan met nieuwe inventaris
In bestaande accommodaties tegenaan dat er onvoldoende inventaris is om optimaal uitvoering te geven aan het vakwerkplan. Er is te weinig materiaal om goed les te kunnen geven in 3 of 4 vakken. Dit gaat ten koste van de kwaliteit en/of bewegingsintensiteit tijdens de lessen. Een oplossing is om op basis van de lijst een inventarisatie te maken welke materialen ontbreken. De lijst geeft richtbedragen die prima gebruikt kunnen worden in een begroting. Zo is de lijst ook een prima hulpmiddel om een bestaande accommodatie op te waarderen.
Afschrijftermijnen
Om inventaris tijdig te kunnen vervangen, is inzicht in de levensduur belangrijk. In de basisinventarislijst zijn daarom ook gemiddelde afschrijftermijnen opgenomen en de daaraan gekoppelde jaarlijks te reserveren bedragen. Uiteraard blijft het belangrijk om deze gemiddelde termijnen te relateren aan uw specifieke situatie. Soms is het nodig een afschrijftermijn aan te passen als een toestel erg intensief gebruikt wordt.
Basisinventarislijst biedt kansen
Vakleerkrachten hebben een grote bijdrage geleverd aan de basisinventarislijst. Zo vertegenwoordigt de lijst een brede doelgroep die dagelijks gebruik maakt van de sportinventaris. Door ook nieuwe ontwikkelingen op te nemen en een grotere keuzevrijheid in te bouwen, biedt deze lijst alle kansen om accommodaties toekomstgericht in te richten.
Hoe groot moet het speelplein zijn?
Het ministerie van OC&W hanteerde tot 1997 het ‘Wenkenblad’ uit 1986 met een overzicht van de geldende normen in het basisonderwijs. Het speelplein heette toen nog ‘speelgebied’ en daarvoor gold het volgende: ‘Het speelgebied bestaat uit een verhard en een onverhard gedeelte in de verhouding 2 : 1, waarbij het verharde deel een oppervlakte heeft van tenminste 300m².’
Tegenwoordig zijn de eisen beperkt tot 3m² buitenruimte per leerling met een minimum van 300m². Voor scholen groter dan 200 leerlingen volstaat 600m² buitenruimte. Als er sprake is van een brede school met kinderdagverblijf en naschoolse opvang dan wordt een afgesloten en ‘op de leeftijd van de kinderen passend ingerichte buitenspeelruimte’ gevraagd. Ook daarvoor geldt een minimaal oppervlak van 3m² bruto oppervlakte speelruimte per aanwezig kind.
Minder ruimte
Het klopt dus dat bij de meeste nieuwe scholen de speelpleinen kleiner zijn dan bij scholen van voor 1997. Zeker als de ruimtenorm strak gehanteerd wordt. Maar er mag in positieve zin afgeweken worden van de norm. Een gemeente of schoolbestuur kan ervoor kiezen een plein groter te maken dan het minimum van 300m². Dat vraagt wel om goede argumenten.
Argumenten voor een groter plein
Veel kinderen op een kleine ruimte die in korte tijd hun energie kwijt moeten, is vragen om problemen. Bij een gemiddeld schoolplein van 300m² is dat al snel het geval. Zeker als het om een smal plein gaat dat om de school heen ligt levert dat al snel conflicten op en gedoe over activiteiten die elkaar in de weg zitten. Als een plein ook geschikt moet zijn voor sportactiviteiten, buitengym of als het plein ingezet wordt voor naschoolse activiteiten, kan dat argumenten opleveren voor meer ruimte. Daarbij speelt ook nog dat in het kader van gezondheid, obesitas en het belang van bewegen op scholen het plein een steeds belangrijker rol krijgt.
Bouwbesluit biedt veel vrijheid
Voor wat betreft de inrichting van het speelplein worden geen specifieke eisen gesteld. Het Bouwbesluit geeft slechts eisen rond de bereikbaarheid en toegankelijkheid (voor bijv. hulpdiensten). Dat betekent dat de school zelf veel kan beslissen, zowel over de verhouding tussen verhard en onverhard terrein als over de inrichting. Die vrijheid biedt veel kansen maar vraagt wel om een helder beeld welke functie het plein krijgt. Niet in de laatste plaats omdat bij nieuwbouw een architect soms gebouwkeuzes voorstelt die consequenties hebben voor de locatie en het gebruik van het speelplein.
Richtlijnen buitenruimte kinderdagverblijf en BSO
Als er wordt gekeken naar de richtlijnen voor een buitenruimte van een kinderopvang of BSO gelden er andere regels. Welke eisen zijn er en aan buitenruimtes? En waar moet je opletten bij het ontwerpen en inrichten?
De Wet Kinderopvang schrijft voor dat er per kind minimaal 3m² buitenruimte beschikbaar moet zijn. Voor BSO kinderen is dit echter te weinig. Uit onderzoek blijkt dat 8m² buitenruimte per BSO-kind voldoende ruimte geeft om te bewegen.
Buiten zijn is goed voor kinderen. En helemaal als ze dan ook nog in beweging zijn. De buitenruimte bij de opvang vraagt dus niet alleen om een bepaalde afmeting, maar moet ook uitdagen tot bewegen. Het plein moet geschikt zijn voor naschoolse activiteiten en het leeftijdsverschil tussen kinderen die op één plein spelen is veel groter dan op een schoolplein. Deze en andere facetten vragen om een andere inrichting van het plein bij een kinderopvang/bso.
Hoe interpreteer je afschrijftermijnen?
Een vraag uit de praktijk: “Onze gymzalen worden intensief gebruikt door het onderwijs en in de meeste zalen zit ook avondgebruik. De onderwijsinrichting is gebaseerd op de basisinventarislijst van de KVLO en deze wordt jaarlijks geïnspecteerd. Nu zijn onze matten en minitramps afgekeurd, terwijl de afschrijftermijn - zoals die in de KVLO basisinventarislijst staat - nog niet verstreken is. Kan dat?”
Economische afschrijftermijn - reserveringen doen
Afschrijftermijnen in de basisinventarislijsten zijn gemiddelde afschrijftermijnen. Het is een economische afschrijftermijn die je als accommodatie kunt gebruiken om jaarlijks geld te reserveren voor het vervangen van toestellen. Stel: een turnbank heeft een afschrijftermijn van 15 jaar. Dan reserveer je jaarlijks 1/15 deel van het bedrag, zodat je over 15 jaar voldoende geld hebt om een nieuwe bank aan te schaffen. Helaas is het gebruik niet in alle zalen gelijk en dat kan verschil opleveren tussen de werkelijke levensduur van sportinventaris - en de gemiddelde afschrijftermijn.
Sporttechnische afschrijftermijn - de praktijk
Naast de economische afschrijftermijn, is het verstandig ook te kijken naar de sporttechnische afschrijftermijn. Deze termijn wordt vastgesteld op basis van het daadwerkelijke gebruik. Als een mat of minitramp zowel overdag door het onderwijs - als ’s avonds door een gymvereniging - veelvuldig gebruikt worden, dan treedt er eerder slijtage en dus afkeur op dan wanneer deze materialen slechts incidenteel worden ingezet. Dat kan betekenen dat een minitramp in de éne zaal een sporttechnische afschrijftermijn van 5 jaar heeft, terwijl in een andere zaal 10 jaar realistisch is.
Gevolgen van oneigenlijk gebruik
Niet alleen de gebruiksintensiteit bepaalt de werkelijke afschrijftermijn. Ook de manier waarop de sportinventaris wordt ingezet heeft invloed. In het bewegingsonderwijs worden springkasten niet alleen meer gebruikt om overheen te springen. Ze zijn ook onderdeel van een hindernisbaan, worden ingezet bij freerunning, er worden schuine vlakken op gebouwd en de losse delen worden gebruikt in een behendigheidsparcours. Dit gebruik leidt tot grotere slijtage en versnelde afschrijving, omdat springkasten hier niet voor gemaakt zijn. In dat geval is het niet alleen belangrijk de juiste sporttechnische afschrijftermijn te bepalen, maar ook om bij vervanging te zoeken naar producten die beter aansluiten op het huidige gebruik. Denk aan combiframes of Sport cubes.
Voorbereid op de toekomst
Om te voorkomen dat je jaarlijks geld te kort komt voor onderhoud en vervanging, is het dus verstandig om de werkelijke sporttechnische afschrijftermijnen van alle sportinventaris in beeld te hebben. Dat kan door het op (laten) stellen van een meerjarenbegroting per sportaccommodatie. Hiermee maak je niet alleen inzichtelijk hoe lang toestellen meegaan, maar ook welk budget je de komende jaren nodig hebt om toestellen op tijd te vervangen.
Wanneer kies je voor een gymzaal of voor een sporthal?
Veel scholen staan op enig punt voor de beslissing: gaan we beweegonderwijs geven in een gymzaal, of in een sporthal? Beide mogelijkheden hebben hun voors en tegens. We zetten de afwegingen voor scholen op een rij.
Scholen hebben veel ruimte nodig voor gymlessen. Gebruikmaken van een grote sporthal lijkt dan een ideale oplossing. Je hebt daar immers vaak drie keer zoveel ruimte. Ook vanuit gemeenten – de eigenaren van veel grote sportaccommodaties – wordt dit vaak toegejuicht. Gemeenten die bijvoorbeeld overwegen een topsportaccommodatie neer te zetten, gaan er graag vanuit dat het onderwijs een bijdrage zal leveren aan het gebruik en dus ook aan de huur. Toch zijn (top)sporthallen niet bij voorbaat geschikt voor beweegonderwijs.
Vierkante versus kubieke meters
Onderwijs heeft baat bij vierkante meters om alle kinderen een plek te bieden. De sport vraagt daarentegen om kubieke meters. De internationale regels voor sporten vereisen steeds hogere hallen. Daarom komen er meer en meer topsporthallen met een hoogte van 9 meter en zelfs al 11 meter. Voor onderwijsgebruik - maar ook voor trainingen van de gemiddelde sportvereniging - volstaat een hoogte van 7 meter. Die 2 of 4 meter extra hoogte leveren het onderwijs geen meerwaarde op. Sterker nog, die extra hoogte levert problemen op als het gaat om bijvoorbeeld de zwaaitoestellen.
Eén hal versus variatie in ruimtes
Een topsporthal is veelal niet meer dan een hoge hal waarin topsportvoorzieningen als basketbaltorens en volleybal centercourts zijn aangebracht. En natuurlijk tribunes voor de toeschouwers. Voor het onderwijs is een topsporthal niet anders dan een accommodatie waar kwalitatief goede lessen bewegingsonderwijs gegeven moeten kunnen worden.
Bepaal op basis van het vakwerkplan LO welke behoefte jouw school heeft. Tip: weeg dit ook eens af samen met andere scholen in de gemeente. Misschien heb je behoefte aan één grote hal. Misschien passen 3 losse gymzalen beter bij de behoeften. Maar het kan ook dat je behoefte hebt aan één gymzaal, één spelzaal en één kleine fitnessruimte. Die verschillende ruimtes kun je uiteraard ook binnen één accommodatie onderbrengen waarbij je een bergruimte en inventaris deelt.
Bouwtechnische aanpassingen
Bewegingsonderwijs vraagt om de juiste onderwijs sportinventaris. En daarvoor zijn extra (bouwkundige) investeringen nodig als je hiervoor een topsporthal wilt gebruiken. Zoals:
- Het zwaaipunt voor ringenzwaaien moet verlaagd worden naar 5,5 meter voor onderwijsgebruik. Bij een zaalhoogte van 9 meter kan dat niet meer vanaf het plafond. Een extra tussenconstructie is dus nodig.
- Alle sporttoestellen zoals bijvoorbeeld klimrekken en basketbalinstallaties moeten ‘obstakelvrij’ gemonteerd worden. Ook daarvoor zijn extra bouwkundige voorzieningen nodig.
- Voor onderwijs heb je een grotere toestelberging nodig. Oppervlak en indeling moeten zo zijn dat onderwijsinventaris niet geblokkeerd wordt door grote sportinstallaties als verplaatsbare basketbaltorens. Deze extra vierkante meters moeten vroegtijdig bekend zijn.
Akoestiek
De akoestiek in topsporthallen laat nogal eens te wensen over als het gaat om onderwijsgebruik. Bij een volleybalwedstrijd op topniveau met een goed gevulde tribune is sprake van een heel andere akoestiek, dan in een 9 meter hoge hal waarin 30 kinderen basketballen. Veel docenten bewegingsonderwijs hebben gehoorbeschadigingen en stemproblemen. Uit onderzoek van de KVLO blijkt dat de slechte akoestiek in binnensportaccommodaties hier vaak de oorzaak van is. Alle reden om de normen voor akoestiek mee te nemen in je besluitvorming.
Stel jezelf ook de volgende vragen
Om een goede afweging te maken kun je daarnaast nog denken aan de volgende zaken:
- Bereikbaarheid: een topsporthal staat vaak aan de rand van de gemeente. Gaat vervoer van de leerlingen naar de gymles dan af van de effectieve beweegtijd?
- Financiën: als je voor een sporthal kiest, hoe zijn de exploitatiekosten verdeeld over alle gebruikers? In een gymzaal zijn de kosten voor inventaris en beheer vaak lager.
- Leerlingenprognose: wat heb je op middellange en lange termijn nodig aan ruimte?
- Avondopenstelling: als je kiest voor een eigen gymzaal, onderzoek dan ook een de mogelijkheden om deze ’s avonds te verhuren aan andere verenigingen.
- Daglicht en energie: sporthallen hebben meestal geen daglicht. En wat zijn de kosten voor de school voor kunstlicht (en warmte) bij sporthalgebruik?
Advies van een expert
Is jouw besluitvorming na het lezen van dit artikel eenvoudiger geworden? Of roept het juist meer vragen op? Aarzel niet om advies te vragen aan de experts van Nijha. Wij hebben jarenlange ervaring met zowel gymzalen als sporthallen. We werken veel samen met scholen, verenigingen en gemeenten en kunnen je helpen bij de juiste keuze voor de wensen en mogelijkheden van jouw school.
